Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-21
ECLI:NL:RBAMS:2024:1003
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,937 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/326116-23
Datum uitspraak: 21 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 18 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 november 2023 door het Amtsgericht Hamburg (Duitsland, hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 februari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen beletselen zijn voor het toestaan van de verzochte overlevering. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verzochte overlevering moet worden toegestaan.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Hamburg van 4 augustus 2023 (dossiernummer: 160 Gs 1059/23).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit.
In artikel 6, eerste lid, OLW is bepaald dat overlevering van een Nederlander kan worden toegestaan voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. Het door de uitvaardigende justitiële autoriteit afgeven van een zogenaamde terugkeergarantie is echter geen vereiste voor overlevering van een Nederlander.
Artikel 6 OLW biedt aldus de mogelijkheid om overlevering niet afhankelijk te maken van een terugkeergarantie. Te denken valt aan de situatie waarin een opgeëiste persoon weliswaar de Nederlandse nationaliteit heeft, maar geen of onvoldoende binding (meer) heeft met Nederland. In dat geval is het namelijk de vraag of Nederland de aangewezen lidstaat is om een eventueel in een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan, met andere woorden de vraag of de opgeëiste persoon als hij in Nederland gedetineerd zou worden, betere kansen op sociale re-integratie heeft. Bij de beoordeling daarvan is van belang in hoeverre een opgeëiste persoon nog binding heeft met Nederland.
Op verzoek van de officier van justitie heeft het Staatsanwaltschaft Hamburg bij e-mail van 16 januari 2024 een terugkeergarantie verstrekt voor de opgeëiste persoon.
De opgeëiste persoon heeft echter op de zitting van 7 februari 2024 verklaard dat hij al vijftien jaar in Duitsland woont en dat hij terug wil naar Duitsland. Hij is niet (meer) van plan in Nederland te gaan wonen. Uit een eerdere verklaring van de opgeëiste persoon op
18 december 2023 tijdens een verhoor door de officier van justitie blijkt dat hij vijf kinderen heeft. Drie kinderen wonen in Duitsland en twee kinderen wonen op Curaçao.
De raadsman heeft dan ook de rechtbank verzocht de overlevering niet afhankelijk te maken van een terugkeergarantie. De officier van justitie heeft geen bezwaar tegen inwilliging van dit verzoek van de raadsman.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de verklaringen van de opgeëiste persoon vloeit voort dat de opgeëiste persoon meer binding heeft met Duitsland dan met Nederland. Dit wordt niet weersproken door de overige informatie in het dossier. De opgeëiste persoon heeft zodanige banden met Duitsland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Duitsland kan plaatsvinden dan in Nederland. Bovendien is het de wens van de opgeëiste persoon een eventuele opgelegde straf in Duitsland uit te zitten. De rechtbank zal daarom de overlevering niet afhankelijk maken van de verstrekte terugkeergarantie.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Hamburg (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. N.J. Koene en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.