Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-28
ECLI:NL:RBAMS:2023:8735
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,565 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/244044-23
Datum uitspraak: 28 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 25 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 april 2022 door de District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
gedetineerd in de [P.I.]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 november 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. van Asselt, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Judgement issued at Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division on 19 April 2019, which was upheld by District Court in Krakow on 16 March 2021, which made the judgement of the trial court final.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
Aan de hand van de toelichting in de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep heeft kunnen uitoefenen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook van toepassing, op grond waarvan de overlevering dient te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting van 5 oktober 2020 en dat hij er zelf voor heeft gekozen om niet ter zitting van de Poolse rechtbank te verschijnen. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW,
voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
In het EAB staat vermeld dat de District Court in Krakow bij arrest van 16 maart 2021 het vonnis van 19 april 2019 in eerste aanleg van de Regional Court in Chrzanow Second Criminal Division heeft bevestigd. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 18 oktober 2023 en 25 oktober 2023 is niet met zekerheid af te leiden of in hoger beroep de schuldvraag en/of de strafoplegging aan de orde zijn geweest, na een beoordeling in feite en in rechte. Gelet hierop zal de rechtbank zekerheidshalve zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep toetsten aan artikel 12 OLW.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon is verschenen bij het proces in eerste aanleg, zodat artikel 12 OLW in zoverre niet van toepassing is.
Voor de procedure in hoger beroep blijkt uit het dossier dat de opgeëiste persoon niet bij het proces aanwezig is geweest, terwijl zich geen van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW kan weigeren.
De rechtbank ziet echter op grond van het navolgende aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Uit de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting van de rechtbank blijkt dat hij aan zijn advocaat de opdracht heeft gegeven hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in eerste aanleg van 19 april 2019 en dat hij in april 2020 naar Nederland is gekomen. Verder blijkt uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 18 oktober 2023 en 25 oktober 2023 dat de defence counsel van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon voor de zittingen in hoger beroep van 5 oktober 2020 en 30 oktober 2020 telefonisch en per post op de hoogte is gesteld van het tijdstip van de zittingen. Bovendien blijkt uit deze informatie dat de opgeëiste persoon tijdens de pre-trial proceedings is geïnformeerd over de noodzaak om the Court te informeren over een adreswijziging en dat hij voor alle zittingen is opgeroepen op het door hem opgegeven adres.
Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest door zich niet te informeren over het verloop van de procedure in hoger beroep en dat hij onvoldoende contact heeft onderhouden met zijn advocaat.
De rechtbank verwerpt het verweer.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten:
Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is er geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. (of eerste, derde en vierde lid OLW)
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628
Vergelijk: Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, (Zdziaszek), ECLI:EU:C:2017:629.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).