Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-28
ECLI:NL:RBAMS:2023:8734
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,541 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/146580-23
Datum uitspraak: 28 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 29 september 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 december 2011 door the Regional Court in Bydgoszcz, III Penal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 24 november 2022
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn advocaat,
mr. L. Palanciyan, die waarneemt voor mr. S. Guman, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is voor onbepaalde tijd geschorst zodat de opgeëiste persoon adequaat ter zitting kan worden bijgestaan en de opgeëiste persoon in de gelegenheid kan worden gesteld om gelijkstellingsstukken te overleggen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting van 14 november 2023
De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - hervat in de stand van het onderzoek van de zitting van 24 november 2022 in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn advocaat, mr. S. Guman, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een verdict of the Provincial Court in Bydgoszcz as of 3 juli 2008, reference XVI K 2423/07.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt raadsman
Er doen zich geen van de in artikel 12 OLW genoemde uitzonderingsgevallen voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en de overlevering dient te worden geweigerd.
Standpunt officier van justitie
De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak, zodat artikel 12 OLW geen toepassing vindt. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
In het d) formulier van het EAB staat vermeld dat: the ruling was not in absent character. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 10 november 2022 aanvullende vragen aan de Poolse autoriteiten gesteld in het kader van artikel 12 OLW.
De Poolse autoriteiten hebben bij brief van 15 november 2022 - kort gezegd - geantwoord dat de opgeëiste persoon op de zitting van 28 maart 2008 aanwezig is geweest. Op deze zitting is de tenlastelegging door de officier van justitie voorgedragen, is de opgeëiste persoon gehoord en heeft hij een verklaring afgelegd. Ook is op deze zitting door de Poolse rechtbank een brief van 11 maart 2008 van de opgeëiste persoon voorgehouden, waarin hij verklaart dat hij niet wil worden bijgestaan door een advocaat. De opgeëiste persoon is vervolgens niet verschenen op de zitting waarop het vonnis is uitgesproken en heeft ten slotte geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting waarop de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunten
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW en de overlevering te weigeren onder overname van de in Polen opgelegde gevangenisstraf. De raadsman verzoekt de rechtbank de over te nemen straf te matigen op grond van de in de LOVS-oriëntatiepunten vermelde straf voor het feit waarvoor hij blijkens het EAB in Polen is veroordeeld.
Standpunt officier van justitie
De opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander en de opgelegde straf kan worden overgenomen. Er is geen ruimte voor de rechtbank om de opgelegde straf te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, III Penal Department (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en schorst deze onmiddellijk tot dat moment van tenuitvoerlegging, welk bevel afzonderlijk schriftelijk is vastgelegd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. (of eerste, derde en vierde lid OLW)
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.