Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-20
ECLI:NL:RBAMS:2023:8449
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/292977-23 (was: 13/751633-18) (EAB I)
Datum uitspraak: 20 december 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 10 augustus 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 april 2018, aangevuld op 10 mei 2018 en gewijzigd op 27 april 2023 door the Regional Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
laatst opgegeven verblijfplaats in Nederland:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 4 oktober 2018
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 oktober 2018, in aanwezigheid van mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J.H. Sijbom, advocaat in Almere (als waarnemer voor mr. O. Boluyt) en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW (oud) uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 18 oktober 2018
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7441) het onderzoek heropend en geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen als gesteld bij een tussenuitspraak van deze rechtbank in een andere overleveringszaak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032), ook in het kader van onderhavige zaak – althans voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen – aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen.
Daarnaast heeft de rechtbank bij uitspraak beslist dat – voor zover het EAB ziet op de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van de vier vonnissen van the District Court in Bydgoszcz – de overlevering van de opgeëiste persoon wordt geweigerd.
Zitting 7 december 2018
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 7 december 2018, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. O. Boluyt, advocaat in Almere en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW (oud) uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Sluiting onderzoek 21 december 2018
De rechtbank heeft op 21 december 2018 het onderzoek gesloten, met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid. De uitspraak is bepaald op 4 januari 2019.
Tussenuitspraak 4 januari 2019
Op 4 januari 2019 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen. Het onderzoek is heropend en geschorst om de officier van justitie nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te laten stellen (ECLI:NL:RBAMS:2019:51).
Zitting 1 maart 2019
Op 1 maart 2019 is de behandeling van het EAB, met instemming van partijen, voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bij tussenuitspraak van 4 januari 2019 bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Sluiting onderzoek 16 april 2019
De rechtbank heeft op 16 april 2019 het onderzoek ter zitting gesloten en direct uitspraak gedaan.
Tussenuitspraak 16 april 2019
Op 16 april 2019 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2019:2801) het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de onafhankelijkheid van the Regional Court in Bydgoszcz.
Zitting 6 december 2023
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 6 december 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. O. Bolluyt, advocaat in Almere is wel verschenen. Hij heeft meegedeeld dat hij niet gemachtigd is namens de opgeëiste persoon op te treden, dat hij geen contact meer met zijn cliënt heeft, dat hij niet het idee heeft dat zijn cliënt op een volgende zitting wel zal verschijnen en dat hij niet weet of zijn cliënt nog in Nederland is.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB (hierna ook: EAB I) is ingetrokken. Van deze intrekking is geen bericht ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit. In plaats van onderhavig EAB is echter, aldus de officier, een nieuw EAB (EAB III, parketnummer 13/296485-23) uitgevaardigd. In de procedure van EAB III is een nieuwe vordering ingediend en derhalve moet op het gehele EAB III worden beslist, inclusief de tenuitvoerlegging van 4 vonnissen waarop de rechtbank al heeft beslist bij tussenuitspraak van 18 oktober 2018 in de zaak van onderhavig EAB.
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt. Van een intrekking van onderhavig EAB I door de uitvaardigende justitiële autoriteit is niet gebleken. Wel is in de procedure van EAB III hetzelfde EAB-formulier als EAB I – met hetzelfde kenmerk (III Kop 68/17) en dezelfde datum van uitvaardiging: 26 april 2018 – toegestuurd, met dien verstande dat dit later toegestuurde EAB-formulier een aanvulling bevat van 27 april 2023. Deze aanvulling betreft een wijziging in het jaartal van de tenuitvoerleggingstermijn van één van de vier vonnissen van 17 mei 2023 in 17 mei 2033. Het is niet ongebruikelijk dat een EAB op een latere datum wordt aangevuld door opnieuw een EAB-formulier toe te sturen waarin de betreffende aanvulling is verwerkt. De rechtbank concludeert dan ook dat EAB I niet is ingetrokken en dat alsnog beslist moet worden op de vordering voor zover in het EAB I overlevering wordt verzocht ten behoeve van de vervolging van de opgeëiste persoon voor strafbare feiten in Polen. Het later toegestuurde EAB III moet worden gezien als aanvulling op onderhavig EAB I.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de vervolgingsoverlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 december 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Vergelijk rechtbank Amsterdam 27 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6019 en 22 november 2023 (parketnummer: 13.180494-23, ter publicatie aangeboden).
Rechtbank Amsterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1661.
HvJ EU 17 december 2020, C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033 en HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).