Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-12
ECLI:NL:RBAMS:2023:8304
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,463 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.128101.23 Parketnummer vordering tul: 13.314050.22
Datum uitspraak: 12 december 2023
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam , meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres 1] .
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op tegenspraak op de terechtzitting van 12 december 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H. Buijsman en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T.G.M. Houben, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mw. [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), dhr. [persoon 2] , namens Jeugdbescherming [locatie] (hierna: [jeugdbescherming] ) en door de ouders van verdachte naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 7 april 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan tankstation BP (filiaal gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemd winkelbedrijf is/zijn toegegaan en/of (vervolgens) naar de aldaar gelegen (service)balie en/of kassa is/zijn gelopen en/of (vervolgens) (op korte
afstand) een mes, in elk geval een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of (vervolgens) daarbij heeft/hebben gezegd; "geef me die geld, geef me die geld", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
en/of
hij op of omstreeks 7 april 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan tankstation BP (filiaal gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel ten dele toebehorende aan tankstation BP (filiaal gelegen [adres 2] .), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), naar voornoemd winkelbedrijf is/zijn toegegaan en/of (vervolgens) naar de aldaar gelegen (service)balie en/of kassa is/zijn gelopen en/of (vervolgens) (op korte afstand) een mes, in elk geval een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of (vervolgens) daarbij heeft/hebben gezegd; "geef me die geld, geef me die geld", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2
ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ).
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 7 april 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan tankstation BP, filiaal [adres 2] , naar voornoemd tankstation is toegegaan en vervolgens naar de aldaar gelegen kassa is gelopen en vervolgens een mes aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en voorgehouden en daarbij heeft gezegd “geef me die geld, geef me die geld”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte gepleegde feit moet worden gekwalificeerd als een poging tot afpersing in vereniging, zoals dat als tweede cumulatief/alternatief aan verdachte ten laste is gelegd. Dat betekent dat verdachte van poging diefstal, zoals het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
5Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder het tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en tot de leerstraf Tools4U verlengd voor de duur van dertig uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van vijftien dagen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation. Hij heeft daarbij de aanwezige medewerker, dhr. [slachtoffer] , bedreigd met een groot mes. [slachtoffer] deed gewoon zijn werk en werd tijdens zijn werk plotseling geconfronteerd met verdachte die een bivakmuts droeg, een groot mes toonde en geld eiste. [slachtoffer] voelde zich daardoor bedreigd en was erg bang. Dat [slachtoffer] enorm is geschrokken, is goed voorstelbaar. Slachtoffers van gewapende overvallen hebben daar vaak nog lang last van, soms wel hun hele leven. De rechtbank neemt dat verdachte erg kwalijk. Hij heeft zich onvoldoende afgevraagd en gerealiseerd wat hij [slachtoffer] aandeed. Dat verdachte in opdracht handelde en er voor heeft gekozen de overval uit te voeren omdat dat hem op dat moment de beste optie leek, is niet alleen zorgelijk maar komt ook voor zijn rekening. Hij had, onder andere rekening houdend met de belangen van [slachtoffer] maar ook met zijn eigen belangen, anders kunnen en moeten handelen. Dit soort feiten hebben tot slot niet alleen een grote impact op de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Vanwege de ernst van het door verdachte gepleegde feit, is jeugddetentie daarop een passende reactie.
Verdachte ziet het kwalijke van zijn handelen inmiddels zelf ook in en heeft spijt van wat hij heeft gedaan. Hij heeft bij de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij dat ook aan [slachtoffer] wil laten weten. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf ook rekening met de oprecht overkomende spijtbetuiging van verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatievan 24 november 2023 waaruit blijkt dat verdachte ongeveer twee weken voor het plegen van het onderhavige feit voor een soortgelijk feit is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie. Dat maakt dat in deze strafzaak naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volstaan met het opleggen van opnieuw een geheel voorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van de Raad van 4 december 2023. De Raad adviseert in dat rapport, samengevat, aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie onder algemene voorwaarden en de leerstraf Tools4U verlengd voor de duur van dertig uren op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de Raad naar voren gebracht dat het aan de ene kant heel zorgelijk is dat verdachte, zo kort na zijn eerdere veroordeling, opnieuw een soortgelijk feit heeft gepleegd. Aan de andere kant toont dat ook duidelijk de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van verdachte, waarvan ook bij de eerdere strafzaak is gebleken. Van de daarvoor in te zetten hulpverlening, had verdachte ten tijde van het plegen van het onderhavige feit, nog niet kunnen profiteren omdat deze behandeling en begeleiding nog niet waren gestart. Inmiddels zijn die wel gestart en is duidelijk dat verdachte een andere weg is ingeslagen en hij heeft het nodig dat hij op die weg kan voortgaan met de lopende behandeling en begeleiding. De Raad adviseert, mede daarom, de eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer te leggen, maar de bijzondere voorwaarden daarbij te wijzigen en te bepalen dat de behandeling bij De Waag daar deel van uitmaakt.
[jeugdbescherming] heeft zich bij de mondelinge behandeling aangesloten bij het advies van de Raad.
Het is de rechtbank door wat door de hulpverlening, de ouders en verdachte zelf naar voren is gebracht, duidelijk geworden dat verdachte – nadat hij opnieuw een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd – een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Verdachte is daarna niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen, gaat naar school, loopt stage en heeft een baantje. Ook is hij gestopt met blowen. Dat is niet alleen ontzettend belangrijk voor een jongen met een brein dat nog in ontwikkeling is, maar dit beperkt ook het recidiverisico dat hoger zou zijn als hij nog wel blowde. Verdachte is een persoon die het soms moeilijk vindt om de juiste keuzes te maken en een vertroebeld beeld door blowen helpt daar bepaald niet bij. Verdachte verdient een groot compliment voor de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt en het is in zijn belang dat hij die ontwikkeling kan voortzetten en het is ook in het belang van de maatschappij om het recidiverisico zo klein mogelijk te maken. Verdachte profiteert van de ingezette begeleiding en behandeling en daar zal hij nog een tijd mee door moeten gaan. Om dat niet te doorkruisen, zal de rechtbank – zoals dat ook door de officier van justitie is gevorderd – een jeugddetentie aan verdachte opleggen die past bij de ernst van het feit en waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rest van de jeugddetentie wordt voorwaardelijk opgelegd, waarbij de rechtbank hoopt dat verdachte zich realiseert dat dit niet alleen een grote, maar ook een laatste kans is om niet opnieuw in een justitiële jeugdinrichting terecht te komen. De rechtbank houdt verdachte graag aan zijn belofte dat zij hem niet meer in de zittingszaal als verdachte terug zal zien.
9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 24 oktober 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam , in de zaak met parketnummer 13-314050-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 23 maart 2023 van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twee maanden met een proeftijd van, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens blijkt uit de stukken dat de mededeling als bedoeld in artikel 77bb van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte is uitgereikt, toegezonden of betekend.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet echter aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, zoals dat ook door de officier van justitie is gevorderd en door de hulpverlening is geadviseerd. Het is in het belang van verdachte en de maatschappij dat hij nog gedurende de opgelegde proeftijd kan profiteren van de bijzondere voorwaarden die in het eerdere vonnis door de rechtbank zijn gesteld, aangevuld met de behandeling bij De Waag.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een leerstraf Tools4U verlengd voor de duur van 30 (dertig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de leerstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.
Wijzigt de voorwaarden, horend bij de in voornoemd vonnis van 23 maart 2023 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden, met dien verstande dat de bijzondere voorwaarden vanaf nu als volgt komen te luiden:
- dat veroordeelde zal meewerken aan het vinden en behouden van een positieve dag- en
vrijetijdsbesteding in de vorm van school, een bijbaan of sport;
- dat veroordeelde volgens rooster naar school en/of stage zal gaan indien er sprake is van
onderwijs;
- dat veroordeelde meewerkt aan de begeleiding vanuit IFA;
- dat veroordeelde meewerkt aan een diagnostisch onderzoek bij de Waag;
- dat veroordeelde meewerkt aan behandeling bij de Waag;
- dat veroordeelde meewerkt aan alle hulpverlening die volgens de Jeugdbescherming [locatie]
noodzakelijk is.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijke straf af.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.C.J. Maas-van Es, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en A.E. van Montfrans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2023.