Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-18
ECLI:NL:RBAMS:2023:8241
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,516 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/1912
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2023 in de zaak tussen
[executeur] te Amsterdam, als executeur in de nalatenschap van [eiser] , eiser
en
het CAK, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Lalmohamed).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de onjuiste toepassing van artikel 4:102 Algemene wet bestuursrecht (Awb) door verweerder waarbij niet wordt overgegaan tot vergoeding van de wettelijke rente over de te veel betaalde eigen bijdrage voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
1.2.
Met het bestreden besluit van 17 februari 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die beslissing vermeldt de rechtbank hierna onder de beoordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt eiser in het gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Bij besluit van medio januari 2022 heeft verweerder de eigen bijdrage van [eiser] (hierna: betrokkene) vastgesteld op € 2.506,- per maand. Bij besluit van 25 november 2022 heeft verweerder de eigen bijdrage vanaf 1 januari 2022 tot en met november 2022 herzien en vastgesteld op € 2.220,72 per maand in verband met gewijzigde inkomensgegevens die verweerder had ontvangen van de Belastingdienst. De te veel betaalde eigen bijdrage heeft verweerder verrekend met de factuur van december 2022. Over de te veel betaalde eigen bijdrage heeft verweerder geen wettelijke rente vergoed.
4. De vraag die voorligt is of verweerder gehouden was de wettelijke rente te vergoeden. De rechtbank is het met eiser eens dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:102 van de Awb. Blijkens de memorie van toelichting ziet het vierde lid van dit artikel op de situatie dat een bestuursorgaan, nadat een besluit waarbij een betalingsverplichting is vastgesteld formele rechtskracht heeft gekregen met terugwerkende kracht deze betalingsverplichting in het voordeel van de burger wijzigt. Dat is in dit geval gebeurd, aangezien verweerder het besluit van medio januari 2022, dat formele rechtskracht heeft, heeft gewijzigd in het voordeel van betrokkene.
5. Een verplichting tot betaling van wettelijke rente bestaat op grond van het derde lid van artikel 4:102 van de Awb alleen niet in gevallen waarin een betrokkene onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en als gevolg daarvan een bestuursorgaan een besluit heeft genomen dat later gewijzigd of ingetrokken moet worden als de juiste gegevens bekend zijn geworden. Een zodanige situatie is in dit geval gesteld noch gebleken.
6. Anders dan verweerder meent, is artikel 4:97 van de Awb op de onderliggende situatie niet van toepassing, aangezien het niet gaat om een situatie waarbij het bestuursorgaan in verzuim is met een betaling.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat verweerder over de gehele periode, dus vanaf januari 2022 tot aan de algehele dag der voldoening, wettelijke rente is verschuldigd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van betrokkene, ten bedrage van € 5,86 (reiskosten). Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar, in de hoedanigheid van gemachtigde van betrokkene. Deze worden begroot op € 597,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift).
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 602,86.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2023 door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vgl. ECLI:NL:CRVB:2018:1318.