Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-06
ECLI:NL:RBAMS:2023:8227
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,427 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/222272-23
Datum uitspraak: 6 december 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 13 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 augustus 2023 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Luik, afdeling Luik, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 7 november 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 november 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de behandeling geschorst tot 29 november 2023 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen navraag te doen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) over de reikwijdte van het advies met betrekking tot het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon van 26 september 2023 ten aanzien van de situatie dat de overlevering wordt verzocht voor de vervolging van strafbare feiten en dus nog niet zeker is of de opgeëiste persoon daarvoor ook wordt veroordeeld.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 29 november 2023
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 29 november 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, advocaat in Amsterdam. Zij neemt waar voor mr. E.M.J. Thomas.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek van 21 augustus 2023.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten staan omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie, en
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 oktober 2023 volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Gelijkstelling
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het nadere advies van de IND van 9 november 2023 niet volgt dat het waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht bij een veroordeling voor de feiten waarvoor de overlevering zal verliezen. De vermelding van de IND dat “op basis van deze gegevens intrekking van het verblijfsrecht in beginsel mogelijk is” geeft daarover onvoldoende duidelijkheid.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander, omdat uit het advies van de IND niet blijkt dat de verwachting bestaat dat de hij zijn verblijfsrecht niet zal verliezen als gevolg van een veroordeling voor de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Uit de brief van de IND van 9 november 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 7 november 2019 beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarom hoeft de opgeëiste persoon niet meer aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen.
De derde voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND.
Uit de brief van de IND van 9 november 2023 blijkt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht ertoe kunnen leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Ook is aangegeven dat niet relevant is of het slechts om een verdenking, of om een veroordeling gaat. Anders dan artikel 6 OLW vereist, volgt uit de brief niet de positieve verwachting dat de opgeëiste persoon zijn recht op verblijf in Nederland niét verliest. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het beroep op een gelijkstelling niet slaagt en dat de rechtbank om die reden overlevering van de opgeëiste persoon niet afhankelijk mag maken van de garantie dat hij een eventueel na overlevering opgelegde straf in Nederland mag ondergaan.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
De rechtbank is niet bevoegd te beslissen over de afgifte van de inbeslaggenomen voorwerpen, nu niet is gebleken dat deze op grond van het EAB in beslag zijn genomen.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Luik, afdeling Luik (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 december 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk: Rechtbank Amsterdam, 9 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4872.
Rb. Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.