Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-12
ECLI:NL:RBAMS:2023:8165
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,129 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/176505-23
Datum uitspraak: 12 december 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 5 oktober 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2023 door de Procureur de la République près le Tribunal
judiciaire de Paris, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 november 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.P. Hilhorst, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel afgegeven op 4 juli 2023 door de rechter-commissaris bij de Justitiële rechtbank te Parijs (art. 131 van het Franse wetboek van strafvordering), met referentie 21288000407.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
3.1.
Genoegzaamheid
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de feitsomschrijving in het EAB niet genoegzaam is. Volgens de raadsvrouw is onvoldoende duidelijk welke feitelijke handelingen de opgeëiste persoon zou hebben verricht die maken dat sprake is van een gerede verdenking dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan de feiten als gesteld in het EAB, terwijl ook de periode waarin deze zijn gepleegd zo ruim is omschreven dat dit niet voldoet aan de vereisten voor een genoegzame omschrijving.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit om onderbouwing ten aanzien van de verdenking te vragen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd een bewijsverweer betreft. Een dergelijk verweer staat ter beoordeling aan de Franse strafrechter en kan niet tot weigering van de overlevering leiden.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet de omschrijving de rechtbank in staat stellen te controleren of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank tegen deze achtergrond van oordeel dat het EAB genoegzaam is. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaatsen, pleegperiode, de rol van de opgeëiste persoon – in het A-formulier, behorende bij het EAB staat bovendien nog vermeld dat de opgeëiste persoon als dader wordt aangemerkt – de beschrijving van het feit en (geheel onverplicht) de wijze waarop tot de verdenking is gekomen. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Frankrijk wordt verdacht, zal later in Frankrijk moeten blijken.
Voor zover door de verdediging is betoogd dat de verdenking onvoldoende duidelijk is om zich bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen te kunnen verdedigen, overweegt de rechtbank dat die eis door artikel 2 OLW niet wordt gesteld. De overleveringsrechter treedt niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking.
De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover nadere vragen te stellen.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1, 9 en 18, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
witwassen van opbrengsten van misdrijven;
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Assistant Public Prosecutor van de Public Prosecutors Office of Paris, Frankrijk, heeft op 30 oktober 2023 ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:
“I also undertake that [opgeëiste persoon], if he gets convicted and sentenced of the acts giving rise to the European arrest warrant, may serve his sentence in Netherlands, of which he is the national or resident.
The terms and conditions for the return will be made on the basis of the European Union framework decision 2008/909/JAI on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters, imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty, with a view to their enforcement in the European Union.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De raadsvrouw heeft opgemerkt dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW aan de orde kan zijn.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat door Frankrijk vervolging is ingesteld, Frankrijk om de overlevering van de opgeëiste persoon heeft verzocht, het bewijsmateriaal zich in Frankrijk bevindt en het Openbaar Ministerie in Nederland niet voornemens is om de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt net als de officier van justitie vast dat Frankrijk de vervolging van de opgeëiste persoon heeft ingesteld, het onderzoek plaatsvindt in Frankrijk en Frankrijk om de overlevering van de opgeëiste persoon heeft verzocht. In dat licht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
7Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat er op dit moment ten aanzien van de detentie-instellingen in Nîmes en Nanterre een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
De Assistant Public Prosecutor van de Public Prosecutors Office of Paris, Frankrijk, heeft op 30 oktober 2023 ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:
“In response to your request for additional information dated on October 24, 2023, I officialy undertake that [opgeëiste persoon], will not be imprisoned in Nîmes or in Nanterre in the context of his surrender to France, in execution of the above-mentioned European arrest warrant.”
Uit voornoemde garantie volgt dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Nîmes of Nanterre zal worden geplaatst. De opgeëiste persoon loopt na overlevering aan Frankrijk daarom niet het gevaar dat hij aan een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest zal worden onderworpen. De detentieomstandigheden in de detentie-instellingen in Nîmes en Nanterre vormen dan ook geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6, 7 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République près le Tribunal judiciaire de Paris, Frankrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 december 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
O.a. Rechtbank Amsterdam, 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 (ten aanzien van Nîmes) en Rechtbank Amsterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5123 (ten aanzien van Nanterre).