Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:8022
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/227472-23
Datum uitspraak: 21 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 14 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2022 door Tribunalul Bucureşti – Secţia I Penală (Rechtbank Boekarest – Sector Strafzaken, 1e Afdeling), Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1971,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 november 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan en (telefonisch) door een tolk in de Roemeense taal. De raadsman heeft geen verweren gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een strafvonnis nr. 677/04-06-2021 van de Rechtbank Boekarest – Sector Strafzaken – 1e Afdeling, uitgesproken in het dossier nr. 34897/3/2020, dat onherroepelijk is geworden bij het Arrest nr. 253/A/15-03-2022 van het Hof van Beroep Boekarest - Sector Strafzaken – 1e Afdeling.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf wordt volgens het EAB de duur van de aanhouding en preventieve hechtenis, namelijk van 4 augustus 2020 tot 2 september 2020 in mindering gebracht. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis/arrest.
Dit vonnis/arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank overweegt dat als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dat dan de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Uit de aanvullende informatie van 26 oktober 2023 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
In het EAB en de voornoemde aanvullende informatie van 26 oktober 2023 staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces in hoger beroep dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet aan de orde.
5Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.
In de brief van 12 oktober 2023 van de commissaris van de penitentiaire politie, de Directeur van de Nationale Administratie van de Penitentiaire Inrichtingen staat het volgende:
Naar aanleiding van uw brief d.d.
11.10.2023 (zaaknummer: 34897/3/2020)
betreffende het verzoek van de
Nederlandse autoriteiten
met betrekking tot de
detentieomstandigheden waarin
[opgeëiste persoon]
(geboren op [geboortedag] 1971, wonende te
[geboorteplaats] , die is veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf), na eventuele overlevering
terecht zal komen, delen wij u het volgende mede:
1. Indien de persoon die van zijn vrijheid is beroofd aan de Roemeense
autoriteiten wordt overgeleverd op Henri Coandă Luchthaven in Boekarest, zal hij
aanvankelijk in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie 2] worden geplaatst, en dit
voor een periode van 21 dagen quarantaine, in een cel waarin hij over minimaal 3 m²
leefruimte zal beschikken.
(…)
Rekening houdend met de duur van de gevangenisstraf zal betrokkene aanvankelijk worden geplaatst in een
gesloten inrichting
. Rekening houdend met zijn woonplaats zal hij naar verwachting gedetineerd worden in de
Penitentiaire Inrichting [plaats detentie 2]
.
(…)
Rekening houdend met het vooruitzicht van de maatregelen van het "Actieplan voor de periode 2020 - 2025, dat is opgesteld ter uitvoering van de beslissing in de zaak Rezmiveș en anderen tegen Roemenië, alsmede van de beslissingen die zijn genomen in de zaken Bragadireanu tegen Roemenië", evenals het aantal gedetineerden dat momenteel door de Nationale Administratie van Penitentiaire Inrichtingen wordt vastgehouden, garandeert de Nationale Administratie van de Penitentiaire Inrichtingen, als gevolg van het door de
Roemeense Staat gevoerde strafrechtbeleid, de terbeschikkingstelling van een individuele ruimte van ten minste 3 m² voor de gehele duur van de tenuitvoerlegging van de straf, met inbegrip van het bed en het bijbehorende meubilair,
en met uitzondering van de ruimte voor de sanitaire groep.
Nationale Administratie van Penitentiaire Inrichtingen waarborgt de uitvoering van de vrijheidsstraf onder fatsoenlijke omstandigheden en garandeert de eerbiediging van de menselijke waardigheid, en dit zowel tijdens de feitelijke duur van de straf als tijdens de periode van quarantaine en observatie.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Tribunalul Bucureşti – Secţia I Penală (Rechtbank Boekarest – Sector Strafzaken, 1e Afdeling), Roemenië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. Biçer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.