Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:8020
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,443 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/163228-23 (voorheen: 13/751223-18)
Datum uitspraak: 21 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering op grond van artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2018 door the Regional Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1Procesgang
Zitting 21 augustus 2018
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.J.M. van der Putten, advocaat in Goirle.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor onbepaalde tijd in verband met een vergelijkbare Poolse zaak (ECLI:NL:RBAMS:2018:5925) waarin nog geen uitspraak is gedaan.
Zitting 7 november 2023
De behandeling van de vordering is in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 7 november 2023, in aanwezigheid van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.J.M. van der Putten..
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable temporary arrest warrant issued by the District Court in Gliwice of 12 May 2017, IX Kp 95/17 (to the case no V Ds 131/15 of the Circuit Prosecutor’s Office in Gliwic).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Polen strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:
1) deelneming aan een criminele organisatie;
5) illegale handel in verdovende middelen en psychtrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Regional Court in Gliwice heeft op 20 april 2018 de volgende garantie gegeven:
Sąd Okręgowy w Gliwicach Wydział IV Karny (The Regional Court in Gliwice, IV Penal
Division) in the case of [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] sought by virtue of the European Arrest Warrant kindly informs, in response to Your letter of 11.04.2018, that the decision of the Court of 12 May, 2017 referred merely to applying the provisional arrest towards the suspect.
The guarantees set forth in Article 5 item 3 of the Council Framework Decision of 13th June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States are respected by the Polish party as they have been included in the provisions of the Act: the Code of Criminal Procedure.
It means that if the sought [opgeëiste persoon] is surrendered to the Polish
party provided that the enforcement of a custodial sentence or another measure involving deprivation of liberty occurs in the Kingdom of the Netherlands, he, after the final conviction has been issued (if any), must be surrendered to the Dutch party.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het bewijs bevindt zich in Polen;
- de medeverdachten zijn in Polen berecht;
- de verdovende middelen zijn in Polen ingevoerd, waardoor de Poolse rechtsorde is geschonden;
- het openbaar ministerie is niet voornemens om zelf de opgeëiste persoon te gaan vervolgen voor de feiten in het EAB.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de handelingen van de opgeëiste persoon waarvan hij wordt beschuldigd geheel op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden en hij woonachtig is in Nederland.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
10Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gliwice (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. Biçer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 22 OLW.
Rb Amsterdam 27 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6015.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).