Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-31
ECLI:NL:RBAMS:2023:7960
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,441 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/222387-21 (ontneming)
Uitspraakdatum: 31 oktober 2023
Verstek
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/222387-21, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
hierna te noemen: veroordeelde.
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. M.R.F. van Raab van Canstein en het onderzoek op de terechtzitting van 17 oktober 2023. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
De zaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken met parketnummers 13/222412-21, 13/206252-21 en 13/236205-21 tegen medeveroordeelden.
2De vordering en de grondslag daarvan
De officier van justitie heeft op 13 september 2023 een ontnemingsvordering (hierna: vordering) ingediend bij de rechtbank, die op de zitting van 11 november 2021 is aangekondigd. De vordering strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 1.868,75.
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 veroordeeld voor het op 12 augustus 2021 te Amsterdam medeplegen van diefstal van een horloge (feit 1) en het op 26 juli 2021 te Amsterdam medeplegen van schuldheling ten aanzien van een horloge van het merk Rolex (feit 2). Dit vonnis is sinds 10 december 2021 onherroepelijk.
De rechtbank verstaat de vordering, gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar zij verwijst, aldus dat deze betrekking heeft op de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak onherroepelijk is veroordeeld.
3Het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op de zitting, onder verwijzing naar het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 5 april 2022 (hierna: het rapport), op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 1.868,75.
Ten aanzien van feit 1 moet worden uitgegaan van de verklaring van veroordeelde op 18 augustus 2021 dat het horloge € 2.500,- heeft opgebracht. De opbrengst van het horloge moet gelijk worden verdeeld tussen veroordeelde en de medeveroordeelde [naam] en komt daarmee neer op € 1.250.
Ten aanzien van feit 2 kan worden uitgegaan van 50% van de dagwaarde van het horloge van € 4.950. De officier van justitie noemt daarbij ter onderbouwing een zaak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2022:3958), waarin de rechtbank de opbrengst van de verkoop van gestolen horloges op 60% van de dagwaarde had vastgesteld. Aangezien sprake is van vier daders (twee daders plegen de diefstal en twee daders plegen opzetheling, waaronder veroordeelde) komt de opbrengst voor veroordeelde neer op € 618,75.
3.2.
Beoordeling
De vordering is gegrond op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 5 april 2022 (hierna: het rapport). Het in het rapport berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het zaaksdossier met nummer 2021153740 en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (hierna: het vonnis). De opsteller van het rapport heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de winst die veroordeelde met de verkoop van de gestolen horloges zou hebben verdiend.
Nu het rapport is gegrond op de aan de strafzaak ten grondslag liggende wettige bewijsmiddelen, gaat de rechtbank – voor zover de rechtbank hierna niet tot een ander oordeel komt – uit van de juistheid van de berekening. Geen rechtsregel staat er aan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk voordeel uitsluitend op de inhoud van een dergelijk financieel rapport te doen berusten.
Medeplegen diefstal horloge op 12 augustus 2021 (feit 1)
Uit het vonnis blijkt dat bewezen is verklaard dat veroordeelde zich met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal van het horloge. Veroordeelde heeft verklaard dat de verkoop van dit horloge € 2.500,- heeft opgebracht. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat op basis van deze verklaring de opbrengst van het gestolen horloge kan worden vastgesteld op € 2.500,- en dat veroordeelde in deze opbrengst heeft meegedeeld.
De rechtbank zal uitgaan van een gelijke verdeling tussen veroordeelde en de medeveroordeelde, omdat er geen aanknopingspunten voor een afwijkende verdeelsleutel zijn. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde kan daarom ten aanzien van feit 1 worden geschat op de helft van € 2.500,-, te weten € 1.250,-.
Medeplegen schuldheling horloge op 26 juli 2021 (feit 2)
Uit het vonnis blijkt dat bewezen is verklaard dat veroordeelde zich met een ander schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van het horloge. Uit het rapport blijkt dat een horloge overeenkomstig het gestolen horloge in een winkel is aangeboden voor € 4.950,- (de dagwaarde). Ook volgt uit de tapgesprekken waarop het rapport zich baseert dat als opbrengst van de verkoop van dit horloge kan worden uitgegaan van 50% van de dagwaarde. De rechtbank stelt op basis hiervan de opbrengst van de verkoop van dit horloge vast op 50% van € 4.950,-, te weten € 2.475,-.
Verder volgt uit het rapport dat veroordeelde heeft meegedeeld in de opbrengst van de verkoop van het horloge. Uit het rapport volgt ook dat in de aangifte is gesproken over twee daders van de diefstal. De rechtbank acht het op basis van het rapport aannemelijk dat de opbrengst door vier personen is gedeeld, namelijk veroordeelde en de medeveroordeelde [naam] als helers en de twee daders van de diefstal. De rechtbank gaat ook hier uit van een gelijke verdeling, omdat er geen aanknopingspunten voor het tegendeel zijn. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde kan daarom ten aanzien van feit 2 worden geschat op een vierde van € 2.475,-, te weten € 618,75.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van of uit de baten van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op een bedrag van € 1.868,75 (€ 1.250,- + € 618,75). Niet is gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten.
4De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 1.868,75. Er zijn geen omstandigheden gebleken dat veroordeelde deze betalingsverplichting niet kan voldoen. De rechtbank veroordeelt veroordeelde daarom tot betaling van het genoemde bedrag aan de staat.
5Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.868,75 (duizend achthonderdachtenzestig euro en vijfenzeventig cent).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 1.868,75 (duizend achthonderdachtenzestig euro en vijfenzeventig cent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 37 (zeven en dertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. V.V. Essenburg en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.H. van der Pol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2023.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met nummer 2021153740 van 5 april 2022, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , p. 3-10.
Vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 in de zaak met parketnummer 13-222387-21, p. 1-11.
Vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 in de zaak met parketnummer 13-222387-21, p. 3 en 9.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met nummer 2021153740 van 5 april 2022, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , p. 7.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met nummer 2021153740 van 5 april 2022, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , p. 7.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met nummer 2021153740 van 5 april 2022, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , p. 8.