Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-25
ECLI:NL:RBAMS:2023:7353
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,481 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/189671-23
Datum uitspraak: 25 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 1 augustus 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 november 2020 door the Regional Court in Warszawa, Department VIII-Criminal (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [woonplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 september 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door advocaat mr. Z. Eker, waarnemend voor de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. D.W. Roos, advocaat in ’s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft op deze zitting de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Bij tussenuitspraak van 10 oktober 2023 is het onderzoek heropend en geschorst tot 25 oktober 2023.
Op de zitting van 25 oktober 2023 is de behandeling met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W. Roos, advocaat in ‘s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 10 oktober 2023
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 10 oktober 2023. Hierin is geoordeeld over de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor bepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een terugkeergarantie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
4De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, hij deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Provincial Public Prosecutor’s Office in Warschau heeft op 17 oktober 2023 de volgende garantie gegeven:
I would like to confirm that in the case of surrender of [opgeëiste persoon] to the Republic of Poland, who was by the judgment of the Court in Amsterdam as of 10th October 2023 considered to be equivalent to a citizen of the Netherlands, the regulations describe in Article 607 letter j of the Polish Code of Criminal Procedure shall be applied - If the state which is executing the warrant surrendered the fugitive on condition that executing the penalty of the deprivation of liberty or other measure consisting in the deprivation of liberty will be effected in this state, the enforcement proceedings are not initiated. According to the text of paragraph 2 of the mentioned Article - In the case referred to in paragraph 1, the court which is competent to recognize the case immediately after the ruling becomes legally valid issues a decision to surrender the convict to the relevant member state of the European Union to execute the penalty that was imposed or other measure consisting in the depravation of liberty. A copy of the decision along with a copy of the ruling to be executed shall be passed to a competent judicial authority of the state where the order is executed.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
5Artikel 11 OLW
De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat de rechtbank geen gevolg moet geven aan het EAB omdat de wijze waarop Polen toepassing geeft aan de inzet van voorlopige hechtenis een gebrek is dat een reëel gevaar oplevert voor het grondrecht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces. Hierbij verwijst de raadsman naar een artikel van The Polish Helsinki Foundation for Human Rights uit 2017, een onderzoek van The Court Watch Poland Foundation uit 2019, een in augustus 2022 verschenen rapport van het Warsaw Enterprise Institute en een artikel uit maart 2023 waarin Poolse strafrechtadvocaten hun kritiek uiten op het wettelijk systeem van de voorlopige hechtenis en de wijze waarop de voorlopige hechtenis in Polen wordt toegepast. Er bestaat daarom een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon in Polen niet binnen een redelijke termijn wordt berecht of in afwachting van zijn berechting in vrijheid wordt gesteld. Ook is van belang dat na overlevering aan Polen sprake zal zijn van een schending van grondrechten van de opgeëiste persoon, omdat niet is gebleken dat er sprake is van een effective remedy tegen de inzet van de voorlopige hechtenis in Polen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De door de raadsman aangehaalde artikelen – daargelaten de vraag of (al) deze stukken objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens bevatten – leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een daarbovenop bestaand algemeen gevaar van schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vanwege het Poolse systeem van voorlopige hechtenis dan wel de toepassing daarvan.
Overigens zijn ten aanzien van het hiervoor vermelde en door de rechtbank wél vastgestelde algemeen reëel gevaar door de opgeëiste persoon en zijn raadsman geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Aldus is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Er bestaat dan ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.
Artikel 11 OLW staat niet in de weg aan het toestaan van de overlevering. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Warszawa, Department VIII-Criminal (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en B.M. Vroom-Cramer rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG613090679691È
G613090679691
Vergelijk rechtbank Amsterdam 16 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:831
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).