Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-06
ECLI:NL:RBAMS:2023:7317
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,588 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/075254-21
Datum uitspraak: 6 november 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ingeschreven op het adres [adres 1] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 september 2023, 27 september 2023, 2 oktober 2023 en 6 november 2023 (uitspraakzitting).
De zaken zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, op de zitting behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (13/249872-20), [medeverdachte 2] (13/246039-20), [medeverdachte 3] (13/228326-20) en [medeverdachte 4] (13/228328-20 en 13/072312-21).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren hebben gebracht.
Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 6 november 2023, waarna direct uitspraak is gedaan in de zaak van verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
2De tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 25 september 2023 – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
1. het medeplegen van het opzettelijk vervoeren in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van 61,04 kilogram hennep in de periode van 22 juli 2020 tot en met 24 juli 2020 te Roosendaal en/of Aalsmeer. Subsidiair is dit als medeplichtigheid tenlastegelegd;
2. het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 147,1 kilogram hennep in de periode van 12 augustus 2020 tot en met 13 augustus 2020 te Aalsmeer (Nederland) en/of Harwich (Engeland). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het opzettelijk vervoeren in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van 147,1 kilogram hennep;
3. het in Nederland en/of in België medeplegen van witwassen van contante gestorte geldbedragen van € 127.950,26 en/of 265.253,53 en/of cryptocurrency ter waarde van € 17.254,60;
4. het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens van categorie II en/of III op 8 september 2020 te Aalsmeer/Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I van dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
3De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
3.1.
Vervolging van het wapenbezit (feit 6)
Standpunt raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie nietontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het wapenbezit. Ten eerste is het NFI rapport met daarin de DNA resultaten voor een gedeelte zwart gelakt, waardoor ontlastend bewijs is achtergehouden. Ook heeft het Openbaar Ministerie geen onderzoek gedaan naar de andere personen die in het rapport worden benoemd. De officier van justitie heeft hiermee de beginselen van goede procesorde geschonden, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij ontvankelijk is in de vervolging van het wapenbezit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van het wapenbezit. Het originele NFI rapport, zonder zwartgelakte delen, is aan het dossier toegevoegd en de verdediging heeft daarvan kennis kunnen nemen. De raadsman heeft vervolgens verzocht om twee personen genoemd in het rapport als getuige te horen; welk verzoek door de rechtbank is toegewezen. Deze getuigen bleken echter reeds geruime tijd zonder vaste woon- of verblijfplaats te zijn, waardoor zij niet door de officier van justitie konden worden opgeroepen. Ontlastend bewijs is derhalve niet achtergehouden.
Dat het gelijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces is geschonden of welk feitelijk nadeel [verdachte] van deze gang van zaken heeft ondervonden – anders dan de vervolging – is niet nader onderbouwd noch gebleken. Daarnaast is de officier van justitie op grond van het opportuniteitsbeginsel bevoegd om af te zien van vervolging en dus ook af te zien van het doen van onderzoek naar bepaalde personen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van het wapenbezit.
4De waardering van het bewijs
4.1.
De inleiding
De verdachten in dit onderzoek zijn:
[medeverdachte 1] met als bijnaam “ [bijnaam medeverdachte 1] ” (hierna: [medeverdachte 1] );
[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );
[medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );
[medeverdachte 4] met als bijnaam “ [bijnaam medeverdachte 4] ” (hierna: [medeverdachte 4] );
[verdachte] met als bijnaam “ [bijnaam verdachte] ), [2e bijnaam verdachte] ” (hierna: [verdachte] ).
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn broers van elkaar. [verdachte] is hun neef. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn woonachtig in Nederland. [verdachte] is woonachtig in België.
Het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ) (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) is gevestigd op de [adres 2] te Aalsmeer. Dit betreft een loods (hierna: [bedrijfsnaam 1] loods) op een bedrijventerrein. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn de vennoten van dit bedrijf.
Het bedrijf [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) is gevestigd op het adres [adres 3] te Amstelveen. Uit onderzoek is gebleken dat [bedrijfsnaam 2] opereert vanaf het adres [adres 4] te Aalsmeer. Dit betreft een loods (hierna: [bedrijfsnaam 2] loods) op een bedrijventerrein. [verdachte] is de eigenaar van [bedrijfsnaam 2] en huurt ook de woning op de [straatnaam 1] . Ook het bedrijf [bedrijfsnaam 3] , eveneens op naam van [verdachte] , was gevestigd op de [adres 3] te Amstelveen. Per 1 november 2018 is dit bedrijf opgeheven. Nadat de huur voor de [adres 3] was opgezegd, is de [adres 5] gehuurd. Het huurcontract staat op de naam van de vriendin van [medeverdachte 3] . Voornoemde panden op de [straatnaam 1] werden door de verdachten als kantoor gebruikt.
Op het adres [adres 6] is een derde loods (hierna: achterste loods) gevestigd die in het onderzoek naar voren komt. Aan het begin van het onderzoek was de politie in de veronderstelling dat de achterste loods was gevestigd op [adres 7] .
De kledingwinkel [bedrijfsnaam 4] is gevestigd op de [adres 8] te Amsterdam. [medeverdachte 4] is de eigenaar van deze winkel.
Ook [medeverdachte 1] heeft een eigen bedrijf genaamd [bedrijfsnaam 5] , gevestigd op de [adres 9] te Zandvoort.
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Van het onder 4 ten laste gelegde moet [verdachte] worden vrijgesproken.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben, vervoeren en exporteren van hennep (feiten 1 en 2). Daarnaast heeft [verdachte] zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan witwassen (feit 5). [verdachte] wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde wapenbezit (feit 6).
4.4.1.
Vrijspraak van het wapenbezit (feit 6)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde wapens voorhanden heeft gehad. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen waaruit blijkt van enige wetenschap van [verdachte] over de in de auto aanwezige wapens. De enkele omstandigheid dat [verdachte] bij de achterste loods is gezien, is hiervoor onvoldoende.
4.4.2.
De twee henneptransporten (1 en 2)
Zaaksdossier Roosendaal
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er op 24 juli 2020, 61,04 kilogram hennep vanuit Aalsmeer naar Roosendaal is vervoerd. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat alle verdachten als medepleger bij de voorbereiding en uitvoering van dit transport betrokken zijn geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Tijdens een observatie op 30 juni 2020 is gezien dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 1] rijden vanaf het bedrijventerrein van [bedrijfsnaam 1] richting de [straatnaam 2] in Aalsmeer waar de Mercedes V-klasse met kenteken [kenteken 2] [medeverdachte 4] geparkeerd staat. Kort hierna voert [medeverdachte 4] in de V-klasse een gesprek met een man die [bijnaam verdachte] wordt genoemd, de bijnaam van [verdachte] . Het gesprek gaat onder meer over wat er met het werk wordt verdiend, dat het makkelijk werk is; 20 keer omwikkelen en daarop zetten, dat het in vijf dozen gedaan moet worden en “als ik in de toekomst in de gevangenis zit, zal zij vragen voor welk strafbaar feit ik vast zit”.
Uit een OVC gesprek van 22 juli 2020 volgt dat [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 1] zegt dat “die vrijdag komen” en dat “het 70 stuks waren geworden”.
Op 24 juli 2020 zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig bij de drie loodsen op het bedrijventerrein aan de [straatnaam 3] te Aalsmeer. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hebben dozen van de [bedrijfsnaam 2] loods naar de achterste loods verplaatst. Zij hebben vervolgens vier dozen met wit tape vanuit de achterste loods naar de [bedrijfsnaam 2] loods gebracht. Hierna hebben [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] vier dozen met wit tape in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 1] geplaatst. Ten tijde van deze handelingen zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] meerdere keren bij de achterste loods en de [bedrijfsnaam 2] loods gezien. Op het moment dat de vier dozen in de Caddy worden geplaatst, heeft de chauffeur van de Caddy contact met de inzittenden van de Audi A3, die naast de Caddy is komen staan. De inzittenden zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij zijn kort ervoor in de Audi A3 gestapt. Wanneer de Caddy wegrijdt, wordt deze gevolgd door de Audi A3. Op een parkeerterrein in Amstelveen zijn beide auto’s gestopt, de Caddy achter de Audi A3, en hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] contact met de bestuurder van een Saab. Vervolgens zijn de Caddy en de Saab samen verder gereden en is de Audi A3 de andere kant op gereden. In de Caddy is, in vier dozen, de hennep aangetroffen. Dit zijn de dozen die vanuit de [bedrijfsnaam 2] loods in de Caddy zijn geladen. De chauffeur, [medeverdachte 5] , is bij vonnis van 13 november 2020 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van de hennep op 24 juli 2020.
Zaaksdossier Harwich
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er in de periode van 12 augustus 2020 tot en met 13 augustus 2020 147,1 kilogram hennep vanuit Aalsmeer naar Harwich (Engeland) is gebracht. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachten als medepleger bij de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van dit transport betrokken zijn geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Op 11 augustus 2020 zijn alle vijf de verdachten aanwezig bij de drie loodsen op het bedrijventerrein aan de [straatnaam 3] te Aalsmeer. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben daar dozen vanuit de [bedrijfsnaam 2] loods naar de achterste loods verplaatst en vice versa. Hierna zijn de vijf verdachten naar “het kantoor” aan de [adres 5] gegaan. Diezelfde ochtend hebben [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] een gesprek waarin [medeverdachte 1] heeft gezegd dat “ze het er eerst moesten uitladen en nu moeten ze het er ook uithalen”. Verder is besproken dat de spullen vandaag komen en dat dat 160 is.
Op 13 augustus 2020 heeft [medeverdachte 1] dozen vanuit de [bedrijfsnaam 2] loods naar de achterste loods gebracht. Wanneer de vrachtwagen van het transportbedrijf [bedrijfsnaam 6] arriveert, worden er dozen vanuit de achterste loods naar de vrachtwagen gebracht en wordt [medeverdachte 1] op de laadklep van die vrachtwagen gezien. Later is de hennep in deze vrachtwagen aangetroffen.
Vanaf 12 augustus 2020 heeft er een e-mailconversatie plaatsgevonden tussen [naam 1] van [bedrijfsnaam 6] en [naam 2] van [bedrijfsnaam 2] . Het emailadres dat daarvoor is gebruikt, is gekoppeld aan het telefoonnummer van [medeverdachte 2] . Het vermoeden van de politie is dat [medeverdachte 2] de communicatie onder voornoemde naam heeft gevoerd. Dit vermoeden wordt bevestigd door een OVC gesprek van 19 augustus 2020. Hierin wordt door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] gesproken over de vrachtwagen die wordt vastgehouden in de haven van Harwich. [medeverdachte 2] heeft aan de anderen gevraagd wat hij moet sturen en heeft daarbij voorgelezen wat hij heeft opgeschreven. In een email van [naam 2] staat precies deze tekst die op diezelfde dag aan [bedrijfsnaam 6] is gestuurd. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] heeft gecommuniceerd met [bedrijfsnaam 6] onder de naam [naam 2] .
Uit de emailconversatie tussen [bedrijfsnaam 6] en [medeverdachte 2] volgt dat [medeverdachte 2] de vrachtwagen voor het transport heeft geregeld en tijdens het transport op de hoogte wordt gehouden van de stand van zaken. Wanneer de vrachtwagen wordt vastgehouden in de haven van Harwich heeft [medeverdachte 2] meerdere keren contact gezocht met [bedrijfsnaam 6] om te achterhalen wat het probleem is.
Daarnaast volgt uit voornoemd OVC gesprek van 19 augustus 2020 dat [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gezegd dat “wat er ook is gebeurd dat ze gaan zeggen dat de chauffeur het onderweg heeft gedaan”.
[medeverdachte 4] en [verdachte] zijn op 13 augustus 2020 naar Dublin afgereisd en zij zijn op 14 augustus 2020 bij de eindbestemming van het transport, [bedrijfsnaam 7] , gezien. Volgens de vrachtbrief het met [bedrijfsnaam 2] overeengekomen afleveradres van [bedrijfsnaam 8] . Deze eindbestemming was een opslagruimte. [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben daar pallets met dozen in een vrachtwagen geladen.
Medeplegen
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachten een samenwerkingsverband hadden dat gericht was op het voorbereiden en het uitvoeren van de handel in hennep.
Conclusie
Op basis van het hiervoor overwogene met betrekking tot het medeplegen en de specifieke transporten, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] . Dit leidt de rechtbank tot de volgende slotsom.
Ten aanzien van ZD Roosendaal
Op 24 juli 2020 hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk vervoeren en het opzettelijk aanwezig hebben van 61,04 kilogram hennep.
Ten aanzien van ZD Harwich
In de periode van 12 augustus 2020 tot en met 13 augustus 2020 hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 147,1 kilogram hennep.
4.4.3.
Het witwassen (feit 5)
Om tot een bewezenverklaring van witwassen te komen moet wettig en overtuigend komen vast te staan dat de op de tenlastelegging genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, dat [verdachte] dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden, en dat hij die geldbedragen voorhanden heeft gehad.
Geld en cryptocurrency voorhanden gehad
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de gestorte contante geldbedragen van € 127.950,26 en € 265.253,53 en de cryptocurrency ter waarde van € 17.254,60 voorhanden heeft gehad. Dit geldt niet voor de tenlastegelegde Audi Q3. Weliswaar staat deze Audi op naam van [verdachte] , maar de boekhouding en de sleutels van deze auto zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] .
Witwasvermoeden
Op basis van het dossier kan geen specifiek misdrijf worden vastgesteld waaruit het geld afkomstig zou kunnen zijn. Ook als niet een concreet misdrijf aan te wijzen valt, kan onder omstandigheden worden bewezen dat in dit geval het geld van misdrijf afkomstig is. Er moet dan sprake zijn van eenwitwasvermoeden op basis van de feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen. Als dat vermoeden er is, is het aan verdachte om een verklaring te geven over de legale herkomst van het geld. Die verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Als de verklaring van verdachte daaraan voldoet, is het Openbaar Ministerie aan zet om nader onderzoek naar de herkomst van het geld te doen.
[verdachte] is als verdachte in beeld gekomen in een onderzoek naar henneptransporten. Naar aanleiding van die verdenking is de financiële situatie van [verdachte] in kaart gebracht. Daaruit is gebleken dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode onvoldoende legaal inkomen had om te beschikken over voornoemde geldbedragen en de waarde van de cryptocurrency. Vastgesteld is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van twee henneptransporten (feiten 1 en 2). Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. Daarom mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het geld en de waarde van de cryptocurrency.
Verklaring van [verdachte]
[verdachte] heeft geen verklaring gegeven over de legale herkomst van de geldbedragen en de waarde van de cryptocurrency.
Beoordeling
Bij deze stand van zaken concludeert de rechtbank dat een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, nu het witwasvermoeden niet door [verdachte] is weerlegd. Onder bovenvermelde omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] ook wist dat de geldbedragen en de waarde van de cryptocurrency van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht in het licht van het voorgaande bewezen dat de [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen.
Medeplegen
Ten aanzien van het contante gestorte geldbedrag op de bankrekening van [bedrijfsnaam 3] is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] dit bedrag samen met [medeverdachte 2] heeft witgewassen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De wettelijke vertegenwoordiger van de bankrekening van [bedrijfsnaam 3] , te weten [verdachte] , staat ingeschreven op het (toenmalige) GBA adres van [medeverdachte 2] . Daarnaast is er geld vanaf een bankrekening ten name van [medeverdachte 2] overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijfsnaam 3] . Vervolgens is dit geld overgemaakt naar een Spaanse bankrekening ten name van [medeverdachte 2] , mogelijk de vader van [medeverdachte 2] . Daarnaast wordt de rekening gevoed door contante stortingen die voornamelijk zijn gedaan vanaf een ING kantoor op tien minuten afstand van het bedrijventerrein aan de [straatnaam 3] . [verdachte] verblijft in de regel in België en het is niet aannemelijk dat hij deze stortingen heeft gedaan. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] . De rechtbank acht daarom bewezen dat sprake is geweest van medeplegen van het witwassen van het contante gestorte geldbedrag op de bankrekening van [bedrijfsnaam 3] .
Daarentegen vindt de rechtbank niet bewezen dat [verdachte] het overige geldbedrag en de waarde van de cryptocurrency samen met een ander heeft witgewassen. Er is niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking. Medeplegen kan daarom niet worden bewezen.
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het witwassen van de (aanbetaling van de) Audi Q3 ( [kenteken 3] ). Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] deze auto voorhanden heeft gehad.
5De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. primair op 24 juli 2020 te Roosendaal en Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet, te weten een hoeveelheid van 61,04 kilogram hennep;
2. primairin de periode van 12 augustus 2020 tot en met 13 augustus 2020 te Aalsmeer, althans in Nederland, en Harwich, althans in Engeland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet, te weten een hoeveelheid van 147,1 kilogram hennep;
3.
in de periode 1 januari 2018 tot en met 8 september 2020 in Nederland en/of in België
- ( contante) geldbedragen met een totale waarde van € 127.950,26 gestort op rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] en/of [bedrijfsnaam 2] Export voorhanden gehad en
- cryptocurrency met een totale waarde van € 17.254,60 voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf
en
in de periode 1 januari 2018 tot en met 8 september 2020 in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander,
- van (contante) geldbedragen met een totale waarde van € 265.253,35 gestort op rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] op naam van [bedrijfsnaam 3] en/of [verdachte] heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde geldbedragen waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde geldbedragen voorhanden hebben gehad,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat bovenomschreven geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.
8.2.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
8.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (internationale) handel in softdrugs. Hierbij heeft hij op een georganiseerde wijze structureel en intensief samengewerkt met de medeverdachten. De verdachten zijn professioneel te werk gegaan door gebruik te maken van een bedrijf als dekmantel, beschikking te hebben over meerdere loodsen in Nederland alsook in het buitenland en te werken met dekladingen. Verdachte heeft hierin een belangrijke rol gehad, door zijn bedrijf en de daarbij behorende loods als dekmantel ter beschikking te stellen en uitvoeringshandelingen te verrichten. Het is algemeen bekend dat drugsgebruik gezondheidsrisico’s kent en dat de handel in drugs vaak samen gaat met andere vormen van criminaliteit, waarbij geweld niet wordt geschuwd. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden om op een eerlijke manier zijn geld te verdienen.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van in totaal € 410.458,21. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, ook vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee een bedreiging voor de samenleving. Witwassen bevordert het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld en/of het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt en zonder witwassen het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor de feiten. Verdachte heeft geen vragen van de rechtbank willen beantwoorden. Over feiten en omstandigheden die tegen de achtergrond van het dossier vragen oproepen, zoals bijvoorbeeld zijn reis naar Ierland, heeft hij geen uitleg willen geven. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte aldus heeft gepoogd de strafrechtelijke dans te ontspringen.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 20 juli 2023 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Strafoplegging
De rechtbank heeft gekeken naar de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt over strafoplegging en wat in vergelijkbare zaken aan straffen is opgelegd. Daaruit volgt een uitgangspunt voor de hier bewezenverklaarde feiten van een gevangenisstraf van meerdere jaren.
Voor de drugsfeiten zoekt de rechtbank aansluiting bij het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van softdrugs. Voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilogram wordt uitgegaan van een gevangenisstraf van 12 maanden. In casu is er naast het aanwezig hebben ook sprake van het vervoeren en het uitvoeren van hennep. Dit is strafverzwarend. Ook wordt het intensieve en structurele samenwerkingsverband strafverzwarend meegewogen. De rechtbank neemt daarom voor de drugsfeiten als uitgangspunt voor de twee henneptransporten 14 maanden gevangenisstraf.
Voor de strafmaat voor het witwassen heeft de rechtbank gekeken naar het oriëntatiepunt voor fraudedelicten. Bij een bedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- is een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden het uitgangspunt.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 30 maanden.
Voorlopige hechtenis
De officier van justitie heeft gevorderd tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De raadsman heeft verzocht deze vordering af te wijzen. De rechtbank wijst de vordering toe en zal de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
Met het onderhavige vonnis zijn de ernstige bezwaren gegeven en ook de aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggende recidivegrond is onverkort van toepassing. Het verhandelde ter zitting en de inhoud van het onderhavige vonnis vragen om een nieuwe beoordeling van de voorlopige hechtenis. Op de zitting van 29 april 2021 is beslist dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van 30 april 2021. Vast staat dat de inhoudelijke behandeling van de zaak op dat moment nog geruime tijd op zich zou laten wachten en dat reeds was beslist de voorlopige hechtenis van medeverdachten te schorsen. De aan de eerder bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis ten grondslag liggende omstandigheden zijn in het licht van dit vonnis naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde, althans van onvoldoende gewicht om het door laten lopen van de schorsing te rechtvaardigen. De persoonlijke belangen van verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis wegen in de nieuwe situatie niet langer op tegen het strafvorderlijk belang bij hervatting van die voorlopige hechtenis. De ernst van de feiten, de kennelijke lichtvaardigheid waarmee en schaal waarop verdachte strafbaar heeft gehandeld en het gebrek aan het nemen van verantwoordelijkheid door verdachte weegt de rechtbank daarbij mee en brengen de rechtbank tot het oordeel dat het recidivegevaar niet op andere wijze tot aanvaardbare proporties kan worden terug gebracht. De voorlopige hechtenis zal derhalve worden hervat.
9De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
ten aanzien van feit 2 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
ten aanzien van feit 3
witwassen
en
medeplegen van witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en A.S. Dogan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2023.
Bijlage […]
[…]
[…]
[…]
9 […]
[…]
[…]