Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-02
ECLI:NL:RBAMS:2023:7288
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,482 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031845-23 (was 13/706640-11)
Datum uitspraak: 2 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 3 juli 2017 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juni 2011 door the District Court of Częstochowa, II Penal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geb] (Polen) op [geboortedag] 1978,
verblijvend op het adres: [adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 5 september 2017
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 september 2017, in aanwezigheid van mr. A. Oswald, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek voor onbepaalde tijd wordt geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen na te gaan of de opgeëiste persoon ten aanzien van de procedure in hoger beroep een advocaat heeft gemachtigd haar verdediging te voeren en of die advocaat ter terechtzitting haar verdediging heeft gevoerd. Daarbij heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht navraag te doen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst omtrent de verwachting dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht zal verliezen en bij de uitvaardigende justitiële autoriteit te informeren of er bereidheid is om de tenuitvoerlegging van de straf over te dragen aan Nederland.
De rechtbank heeft tevens de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 27 maart 2018
De rechtbank heeft het onderzoek op 27 maart 2018 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing op 5 september 2017. De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de in de zaak C-573/17 (Poplawski II) gestelde prejudiciële vragen.
De rechtbank heeft de beslistermijn met ingang van 27 maart 2018 opgeschort.
Zitting 19 oktober 2023
De rechtbank heeft het onderzoek op 19 oktober 2023 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing op 27 maart 2018. De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een:
Vonnis van the Provincial Court of Częstochowa van 22 maart 2002, met kenmerk III K 336/02.
Arrest van the District Court of Częstochowa van 25 november 2005, met kenmerk VIII Ka 573/05.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog de gehele drie jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis, dat is bekrachtigd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit vonnis en arrest betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Verjaring naar Pools recht
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van verjaring naar Pools recht, omdat in onderdeel b van het EAB is vermeld dat het feit is verjaard op 26 november 2020. Het verlengen van de executietermijn met terugwerkende kracht ondermijnt de rechtszekerheid.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman aldus, dat vanwege de verjaring geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis aan het EAB ten grondslag ligt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat alleen verjaring naar het recht van de uitvoerende lidstaat een weigeringsgrond is. Overigens dient er in beginsel vertrouwd te worden op de juistheid van de informatie in het EAB. Gelet op de informatie in onderdeel C van het EAB gaat de rechtbank ervan uit dat van verjaring van het recht op strafvervolging naar Pools recht geen sprake is.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat uit de informatie in onderdeel F van het EAB blijkt dat de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van het vonnis reeds in 2009 is verlengd van 26 november 2020 naar 26 november 2030. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die informatie. Van verlenging van de verjaringstermijn na het verstrijken van die termijn is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 2 augustus 2017 blijkt dat er een proces in hoger beroep is geweest waarbij de zaak ten gronde is behandeld.
De rechtbank toetst daarom alleen het hoger beroep aan de voorwaarden van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de terechtzitting in hoger beroep die tot het arrest van 25 november 2005 (VIII Ka 573/05) heeft geleid. Er is echter sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW, nu uit de aanvullende informatie van 27 september 2017 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een advocaat heeft gemachtigd haar verdediging te voeren, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van 2 augustus 2017 blijkt dat die advocaat ook daadwerkelijk ter terechtzitting de verdediging heeft gevoerd. De in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond is daarom niet van toepassing.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 6 en 175 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 6a, 7 en 9 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] the District Court of Częstochowa, II Penal Department.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en schorst deze onmiddellijk tot dat moment van tenuitvoerlegging. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. L. Sanders en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie artikel 22 OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
Inleiding
5Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 6 van de WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 van deze wet
6. Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnota aangevoerd dat sprake is van verjaring en dat de overlevering daarom moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon verblijft al lang in Nederland, heeft hier haar leven opgebouwd en het gaat om een oud feit, dat gepleegd is in 2000.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht nog niet is verstreken, omdat sprake is van roekeloosheid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW doet zich dan ook niet voor.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet wordt voldaan aan de hoge grens van roekeloosheid. Onder roekeloosheid wordt verstaan het in leven roepen van een zeer ernstig gevaar door buitengewoon onvoorzichtige gedragingen, waarvan verdacht zich bewust was, althans zich daarvan bewust had moeten zijn. De rechtbank is van oordeel dat niet uit de feitomschrijving in het EAB blijkt dat hier sprake van is. Het feit valt onder artikel 6 in verbinding met artikel 175, eerste lid, onder a en derde lid, Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank stelt vast dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht voor dit feit 16 jaar is (op grond van artikel 70 en 311 Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:22 Wetboek van Strafvordering). De tenuitvoerleggingstermijn is verstreken op 26 november 2021, waarmee de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW zich voordoet.
Ondanks dat de opgeëiste persoon heeft verzocht om de overlevering te weigeren op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond.
Weigering van de overlevering op grond van verjaring naar Nederlands recht heeft tot gevolg dat de opgeëiste persoon de straf in Nederland niet zal ondergaan. Een weigering zou in dat geval (kunnen) leiden tot straffeloosheid. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank te worden voorkomen, mede gelet op de ernst en de aard van het feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld, waarbij een Pools slachtoffer is overleden aan zijn verwondingen. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de opgeëiste persoon in haar verhoor van 3 juli 2017 heeft verklaard dat zij bewust in Nederland is gebleven, omdat zij niet naar de gevangenis wilde. Verder zou weigering niet betekenen dat de opgeëiste persoon de straf niet meer zou hoeven te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straf naar het recht van Polen niet is verjaard, zou de opgeëiste persoon – wanneer zij gebruik maakt van haar vrij verkeersrecht binnen de Europese Unie – rekening moeten houden met de mogelijkheid dat zij door een andere lidstaat van de Europese Unie aan Polen wordt overgeleverd voor de tenuitvoerlegging van die straf. Tenuitvoerlegging van de straf in Polen zou dan de met tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan verder op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2018 blijkt dat de rechtbank destijds van oordeel is geweest dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander slaagt.
De opgeëiste persoon voldeed destijds (2018) immers – kort gezegd – al aan de voorwaarde van een ‘duurzaam opgebouwd verblijfsrecht’ (1) en ten aanzien van haar bestond niet de verwachting dat de Poolse veroordeling zou leiden tot beëindiging van haar duurzaam verblijfsrecht in Nederland (2). De rechtbank neemt dat oordeel in deze uitspraak over.
Omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon haar duurzaam verblijfsrecht nadien heeft verloren, is nog steeds sprake van gelijkstelling met een Nederlander.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5. weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen en deze onmiddellijk schorsen. De reden voor schorsing is gelegen in het volgende. De opgeëiste persoon zit reeds geruime tijd niet meer in (geschorste) overleveringsdetentie, te weten omstreeks vijf jaren. Haar binding met Nederland is sinds de vorige zitting alleen maar toegenomen. Ondanks de omstandigheid dat zij niet aan schorsingsvoorwaarden was gebonden, is de opgeëiste persoon op zitting verschenen.