Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-14
ECLI:NL:RBAMS:2023:7103
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,149 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10328185 CV EXPL 23-2106
vonnis van: 14 november 2023
fno.: 991
vonnis van de kantonrechter
i n z a k e
Stichting Kinderrijk
gevestigd te Amstelveen
eiseres
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
t e g e n
1. [gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [woonplaats]
gedaagden
niet verschenen
Verdere verloop van de procedure
Op 11 april 2023 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft eiseres een akte genomen. Vervolgens is de datum voor vonnis (nader) bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
Eiseres heeft bij akte de gevraagde nadere toelichting en onderbouwing over de informatieplichten slechts gedeeltelijk gegeven. Zij is alleen ingegaan op het ontbindingsrecht en de sanctie, terwijl in het tussenvonnis is gevraagd om een toelichting en onderbouwing met betrekking tot alle informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW.
Op grond van artikel 6:230o BW beschikken gedaagden over een ontbindingsrecht. Een uitzondering als bedoeld in artikel 6:230p BW is niet aan de orde. Over het ontbindingsrecht stelt eiseres in haar akte dat zij niet heeft voldaan aan de informatieplicht ex artikel 6:230m lid 1 sub h BW.
Gevolg van het niet verstrekken van informatie over het ontbindingsrecht, waaronder valt verstrekking van het modelformulier voor ontbinding, is verlenging van de ontbindingstermijn totdat de informatie alsnog op de voorgeschreven wijze is verstrekt, met ten hoogste een jaar, zo bepaalt artikel 6:230o lid 2 BW. Deze sanctie volgt uit de wet. Ingevolge het Arvato-arrest (Hoge Raad, 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677) dient deze wettelijke sanctie te worden toegepast en kan daarnaast ook een sanctie conform de landelijke sanctierichtlijn worden toegepast.
Nu in dit geval niet is gebleken dat de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 sub h BW, waaronder dus verstrekking van het modelformulier, op een later moment alsnog op de voorgeschreven wijze aan gedaagden is verstrekt, moet het ervoor worden gehouden dat niet aan deze informatieplicht is voldaan. Gevolg hiervan is dat de termijn van veertien dagen waarbinnen de overeenkomst kan worden ontbonden is verlengd met een jaar.
De overeenkomst is door gedaagden op 22 mei 2022 ondertekend. De dagvaarding is aan gedaagden betekend op 25 januari 2023. Alle facturen waarvan betaling wordt gevorderd zien op geleverde diensten binnen de verlengde ontbindingstermijn. Nu de ontbindingstermijn nog liep op het moment van dagvaarden en gedaagden op dat moment dus nog kosteloos van de overeenkomst af konden (ingevolge artikel 6:230s lid 5 onder a sub 1 BW zijn gedaagden in dat geval geen kosten aan eiseres verschuldigd), was de vordering op het moment van betekenen van de dagvaarding nog niet opeisbaar. Nu de kantonrechter op grond van de dagvaarding dient te beslissen, kan de vordering niet worden toegewezen.
Nu deze sanctie voortvloeit uit de wet, wordt geen ruimte gezien voor een andere uitkomst. Om die reden sluit de kantonrechter zich ook niet aan bij de uitkomst van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 september 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2481).
Over dit onderwerp en het belang van het herroepingsrecht voor de consument en de noodzaak om hierover informatie te verschaffen heeft het Europese Hof van Justitie een arrest gewezen op 17 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:413) en beslist dat als geen informatie over het herroepingsrecht is verstrekt, ook al is de overeenkomst al uitgevoerd, de consument is vrijgesteld van elke verplichting tot betaling van de prestaties die zijn verricht. De kantonrechter ziet in hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanleiding om van deze jurisprudentie af te wijken.
Eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eiseres in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.