Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-01
ECLI:NL:RBAMS:2023:7000
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,506 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/719789 / HA ZA 22-519
Vonnis van 1 november 2023
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.D. Poot te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Swart te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 februari 2023, en de daarin vermelde processtukken, - het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 17 april 2023,
- het proces-verbaal van het tegenverhoor van 20 juni 2023,
- de conclusie na enquête van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord na enquête van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis is [eiser] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper een overeenkomst tot stand is gekomen voor het overdragen van 48% van de aandelen van de besloten vennootschap Hortus de Overkant B.V., in drie termijnen van 20%, 15% en 13% tegen een bedrag van in totaal € 576.000,00.
2.2.
Ter uitvoering van deze bewijsopdracht zijn op 17 april 2023 op verzoek van [eiser] twee getuigen gehoord: [eiser] zelf en [getuige 1] Op verzoek van [gedaagde] zijn op 20 juni 2023 in contra-enquête twee getuigen gehoord: [gedaagde] en [getuige 2] .
Bewijswaardering
2.3.
In het tussenvonnis is vastgesteld dat [eiser] en [gedaagde] gesprekken hebben gevoerd over een overdracht van aandelen van de coffeeshop aan [eiser] . Ook is vastgesteld dat één van deze gesprekken plaatsvond op 6 januari 2021 en dat partijen tijdens dit gesprek een handgeschreven stuk hebben ondertekend, waarop staat:
‘20% mrt 2021 240
15% jan 2022 180
13% okt 2022 156
48% 576.’
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat deze feiten, in samenhang met de afgelegde getuigenverklaringen, voldoende bewijs van het bestaan van de door [eiser] gestelde overeenkomst vormen. Daarbij is het volgende van belang.
2.5.
Uit de getuigenverklaringen volgt dat [eiser] na januari 2021 herhaaldelijk in de coffeeshop is geweest en dat hij op verschillende manieren bij de bedrijfsvoering is betrokken. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat vier gesprekken hebben plaatsgevonden tussen hem, [eiser] en [gedaagde] en dat er ook groepsgesprekken waren met het personeel. De gesprekken gingen onder andere over de invulling van roosters en over hoe het bedrijf kon worden verbeterd, bijvoorbeeld door een verandering van het voorraadsysteem. [getuige 2] heeft bevestigd dat [eiser] op een gegeven moment regelmatig in de coffeeshop kwam. Hij heeft toegelicht dat hij van zowel [eiser] als [gedaagde] had begrepen dat het de bedoeling was dat [eiser] kennis zou krijgen van het reilen en zeilen van de coffeeshop. Ook heeft [getuige 2] verklaard dat hij aanwezig is geweest bij gesprekken tussen [eiser] en [gedaagde] waarin het ging over de omzet en hoe de toonbank eruit zou gaan zien. Daarnaast hebben zowel [getuige 2] als [gedaagde] bevestigd dat [eiser] aanwezig was bij het gesprek waarin een nieuwe bedrijfsleider ( [naam] ) werd benoemd en het daaropvolgende gesprek met het personeel. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij [eiser] als beheerder van de coffeeshop heeft aangemeld bij de gemeente om een VOG te krijgen.
2.6.
[eiser] zelf heeft onder andere verklaard dat hij voor elkaar heeft gekregen dat een opdracht werd verleend voor het aanbrengen van neonreclame, dat hij samen met [gedaagde] naar een nieuw terras heeft gekeken en dat hij de balie heeft getekend. Hoewel [eiser] een partijgetuige is in de zin van artikel 164 lid 2 Rv, acht de rechtbank deze verklaring voldoende geloofwaardig. Het relaas van [eiser] over zijn betrokkenheid bij de coffeeshop vindt namelijk steun in de overige getuigenverklaringen.
2.7.
[gedaagde] heeft verklaard dat [eiser] alleen aanwezig was omdat hij mee mocht kijken, dat eerst nog moest blijken of hij geschikt was om de coffeeshop over te nemen en dat geen sprake was van een definitieve overeenkomst over de aandelenoverdracht. De rechtbank deze verklaring onvoldoende plausibel. Als alleen sprake was geweest van oriënterende gesprekken en het op 6 januari 2021 ondertekende stuk slechts een startpunt voor verdere onderhandelingen was, dan ligt het namelijk niet voor de hand dat [eiser] zich wel alvast bezighield met (aanpassingen van) de bedrijfsvoering en het interieur van de coffeeshop. Dat (nog) geen nadere afspraken waren gemaakt over onder andere de invulling van de samenwerking en een verdere uitwerking van de overeenkomst ontbreekt, maakt dit oordeel niet anders. De belangrijkste onderdelen van de overeenkomst, het percentage en de prijs van de (in termijnen) over te dragen aandelen, zijn namelijk duidelijk vastgelegd in het ondertekende stuk. Uit de getuigenverklaringen lijkt te volgen dat de samenwerking hierna niet goed van de grond is gekomen en “de persoon [eiser] ” uiteindelijk niet aan de verwachtingen van [gedaagde] voldeed, maar dat neemt niet weg dat op hoofdlijnen al afspraken waren gemaakt.
2.8.
Dit alles in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten voor het overdragen van 48% van de aandelen van de besloten vennootschap Hortus de Overkant B.V., in drie termijnen van 20%, 15% en 13% tegen een bedrag van in totaal € 576.000,00. Omdat [eiser] is geslaagd in de bewijsopdracht, wordt de gevorderde verklaring voor recht toegewezen.
Levering van de aandelen
2.9.
[eiser] vordert verder dat [gedaagde] wordt veroordeeld om medewerking te verlenen aan de levering van de aandelen conform de overeenkomst, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen. Voor het geval [gedaagde] geen medewerking verleent, vordert [eiser] dat de rechtbank bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van zijn medewerking, althans dat [eiser] wordt gemachtigd om alle handelingen namens [gedaagde] te (laten) verrichten om te komen tot levering, op kosten van [gedaagde] .
2.10.
[gedaagde] voert aan dat hij niet gehouden kan worden om aandelen aan [eiser] over te dragen. Hij stelt dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigbaar is wegens strijd met de goede zeden en de wet, omdat [eiser] wil betalen met geld uit het criminele circuit en [gedaagde] door het aannemen van dit geld een strafbaar feit zou plegen. Dit verweer slaagt niet, alleen al omdat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft betwist dat zijn geld afkomstig is uit het criminele circuit en [gedaagde] zijn stelling hierna niet nader heeft toegelicht. [gedaagde] heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij de overeenkomst al voor maart 2021 heeft ontbonden, maar ook dit verweer slaagt niet. [gedaagde] heeft namelijk in het geheel niet toegelicht dat aan de eisen van ontbinding is voldaan.
2.11.
[gedaagde] voert ook aan dat nakoming van de overeenkomst in redelijkheid niet kan worden afgedwongen, omdat de consequentie daarvan zou zijn dat hij wordt gedwongen een samenwerking aan te gaan met een partij die hij op goede gronden zodanig wantrouwt dat geen samenwerking tot stand kan komen. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarom om de overeenkomst op grond van artikel 6:258 BW te wijzigen, in die zin dat nakoming van de overeenkomst niet kan worden gevergd, dan wel de overeenkomst op grond van dit artikel te ontbinden. Ook dit verweer slaagt niet. Artikel 6:258 BW vereist dat sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper een overeenkomst tot stand is gekomen voor het overdragen van 48% van de aandelen van de besloten vennootschap Hortus de Overkant B.V., in drie termijnen van 20%, 15% en 13% tegen een bedrag van in totaal € 576.000,00,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om medewerking te verlenen aan levering van de onder 3.1 genoemde aandelen,
3.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van [gedaagde] voor het geval [gedaagde] in gebreke blijft aan de onder 3.2 genoemde veroordeling te voldoen,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.006,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2023.