Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-25
ECLI:NL:RBAMS:2023:6977
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,290 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/3200
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] uit Amsterdam, eiser,
(gemachtigde: mr. E. Wolter ),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Procesverloop
Met het primaire besluit van 24 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen per 28 juli 2021 (de datum in geding).
Met het bestreden besluit van 24 mei 2022 is verweerder bij die beslissing gebleven.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2023. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend.
De rechtbank heeft verweerder verzocht om het bestreden besluit te voorzien van een nadere toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Verweerder heeft gereageerd middels een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 april 2023. Eiser heeft hierop gereageerd en heeft aanvullende stukken overgelegd.
Op 9 juni 2023 heeft de rechtbank partijen medegedeeld voldoende geïnformeerd te zijn en voornemens te zijn zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen vier weken aangeeft mondeling te willen worden gehoord.
Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het doen van een uitspraak zonder nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek wederom gesloten.
Overwegingen
Wat vooraf is gegaan aan deze procedure
1. Eiser werkte voor het laatst als assistent vloermanager voor ongeveer 27 uur per week. Op 10 september 2019 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk wegens fysieke klachten, ontstaan door een bedrijfsongeval. Eiser werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en is op 2 december 2019 ziek uit dienst gegaan. Eiser ontving vanaf die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw-uitkering).
2. Op 18 mei 2021 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 3 januari 2022 en de belastbaarheid van eiser staat vermeld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2022. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is vastgesteld op 25,87%. Omdat dit minder is dan 35%, heeft verweerder in het primaire besluit de WIA-aanvraag van eiser afgewezen per 28 juli 2021 (de datum in geding).
3. Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaarschrift heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser opnieuw onderzocht en zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 19 april 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag redenen om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en heeft daarom de FML aangepast en er heeft ook op arbeidskundig vlak een heroverweging plaatsgevonden. Omdat de arbeidsongeschiktheid van eiser ongewijzigd werd vastgesteld op 25,87% is het primaire besluit met het bestreden besluit gehandhaafd.
Beoordeling
4. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder terecht per de datum in geding geen WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
De medische beoordeling
6. Eiser voert aan dat hij veel meer beperkingen heeft dan in de (kritische) FML is opgenomen. Eiser stelt forse fysieke en tevens ernstige psychische klachten te hebben. Hij ondervindt daarvan aanzienlijke beperkingen bij het leven van alledag en voor zover dat mogelijk zou zijn, bij het verrichten van arbeid in loondienst. Eiser vindt dat verweerder een veel te positief beeld heeft geschetst van zijn dagelijkse klachten en beperkingen waardoor zijn mogelijkheden tot het daadwerkelijk kunnen verrichten van arbeid zijn overschat en de mate van arbeidsongeschiktheid is onderschat. Zo stelt eiser dat hij meer beperkt is op een aantal beoordelingspunten die betrekking hebben op zijn persoonlijk en sociaal functioneren, bij een groot aantal beoordelingspunten op het gebied van dynamische handelingen en statische houdingen en ook ten aanzien van werktijden. Met name is onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen die het gevolg zijn van de niet goed geheelde breuk van zijn stuitje. Eiser heeft ter onderbouwing medische stukken overgelegd, waaronder twee brieven van [instantie 1] van 7 november 2022 en 18 januari 2023, een brief van [instantie 2] van 17 februari 2023, een overzicht van behandelingen bij [instantie 3] en een brief van de huisarts met een synopsis. Hieruit blijkt onder meer dat uit aanvullende diagnostiek is gebleken dat eiser een niet correct geheelde, oude breuk van het staartbeen heeft. Verder voert eiser aan dat er, vanwege de bijwerkingen van zijn medicatie en behandelingen, vanuit energetisch en/of preventief oogpunt aanleiding is voor het toepassen van een substantiële urenbeperking. Ter zitting heeft eiser in dit verband nog toegelicht dat hij is uitgevallen zonder dat hij in de tussentijd werkzaamheden heeft verricht. Ook daaruit moet volgens eiser worden afgeleid dat er op de datum in geding sprake was van een urenbeperking uit preventief oogpunt. Eiser heeft ter onderbouwing een expertiserapport van een arbeidsdeskundige van 17 mei 2023, een verslag van een maatschappelijk werker van 5 april 2023 en een brief van een psycholoog van 7 maart 2023 overgelegd. Ten slotte voert eiser aan dat hij inmiddels weer een Zw-uitkering ontvangt, nadat hij zich heeft ziekgemeld vanuit de WW op 2 juni 2022. De verzekeringsarts heeft eiser per die datum volledig arbeidsongeschikt geacht voor de functies waarvoor de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hem in het kader van zijn WIA-aanvraag geschikt heeft bevonden. Dit was op de datum in geding volgens eiser niet anders.
7. Naar aanleiding van de in beroep overgelegde stukken van eiser en hetgeen ter zitting van 16 maart 2023 is besproken, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep te verzoeken nader toe te lichten waarom bij het vaststellen van de beperkingen in de FML eisers pijnklachten, voor zover die pas achteraf kunnen worden verklaard door de oude breuk van het staartbeen, (in beginsel) niet zijn meegenomen terwijl de gestelde diagnose reden is om dat wel te doen. Ook is verzocht om te reageren op de in beroep aangevoerde grond dat uit energetisch en preventief oogpunt een urenbeperking moet worden aangenomen.
8. In zijn reactie stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het standpunt van eiser dat er sprake is van een te positief beeld van zijn klachten en beperkingen en dat er méér beperkingen moeten worden aangenomen, niet wordt ondersteund met (nieuwe) medische informatie uit de behandelend sector. Bij het vaststellen van (medische) beperkingen in het kader van de WIA mag niet worden uitgegaan van subjectief ervaren klachten, maar van medisch objectiveerbare afwijkingen. De door eiser overgelegde informatie is meegenomen bij de heroverweging in bezwaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst hierbij naar zijn rapport van 13 mei 2022. De vermelde knie- en rugklachten zijn bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend. Dat eiser op
30 juni 2022 met hevige pijnen naar zijn huisarts is gegaan, heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen gevolgen voor het hier bestreden besluit. De datum in geding in deze zaak is namelijk 28 juli 2021. De gestelde diagnose coccygodynie betekent volgens hem enkel dat eiser pijn heeft in zijn stuitje. De enige mogelijke beperking die op basis hiervan gesteld zou kunnen worden, is ten aanzien van langdurig zitten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat eiser tijdens het onderzoek geen grote problemen met zitten had. Dat de klachten nu mogelijk deels verklaard kunnen worden door de oude breuk, maakt volgens hem de onderzoeksbevindingen van destijds niet anders. Omdat er al relatief forse beperkingen zijn aangenomen is er geen basis voor aanvullende beperkingen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is tot slot volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding voor een urenbeperking. Bewegen en activiteiten verrichten is niet schadelijk te achten voor eisers gezondheid en er is ook geen medische noodzaak om overdag te moeten liggen en/of slapen.
9. De rechtbank overweegt dat verweerder zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het betwisten van de juistheid van een gegeven medische beoordeling of het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een medicus noodzakelijk.
10. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Eiser is op een spreekuur geweest bij de primaire arts en is toen lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eisers dossier bestudeerd en heeft eiser ook lichamelijk en psychisch onderzocht. Verder heeft hij informatie van de behandelend sector bij zijn oordeel betrokken. Het gaat om informatie van de huisarts, een medicatieoverzicht en specialistenbrieven. Eiser en zijn gemachtigde hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep desgevraagd laten weten geen aanvullingen te hebben. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft gemist dan wel het onderzoek onzorgvuldig heeft uitgevoerd. De rechtbank stelt vast dat door eiser geen stukken zijn overgelegd die blijk geven van een onderschatting van zijn beperkingen op de datum in geding. De in beroep overlegde stukken van de arbeidsdeskundige, maatschappelijk werk en de brief van de psycholoog zien op een periode ruim na de datum in geding.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat bij eiser op basis van medische gronden geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Eiser is niet opgenomen, hij is niet bedlegerig en niet ADL-afhankelijk. Aan het begrip ADL-afhankelijk wordt een strikte betekenis toegekend. Iemand is ADL-afhankelijk als hij bijvoorbeeld niet zelfstandig kan eten, drinken en zich niet kan wassen en aankleden. Eiser heeft lichamelijke en psychische klachten, maar is ADL-zelfredzaam. Dit blijkt mede uit zijn dagverhaal.
12. Ook ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van eiser.
13.
Conclusie
19. Verweerder heeft op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op minder dan 35% gesteld. Dat betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser per 28 juli 2021 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G. Elfferich, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.