Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-04
ECLI:NL:RBAMS:2023:6676
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,782 tokens
Dictum
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.041785.23
Uitspraakdatum: 4 oktober 2023 (tul)
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
(hierna: de veroordeelde).
De opgelegde maatregel
De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 17 mei 2023 - voor zover thans van belang - veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de maatregel) voor de duur van twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden:
meldplicht. Veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres] in Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken niet de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname). Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra een intakegesprek heeft plaatsgevonden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor (crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek). Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Veroordeelde verblijft bij [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een woonplek beschikbaar is. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
drugsverbod. Veroordeelde gebruikt geen drugs;
alcoholverbod. Veroordeelde gebruikt geen alcohol;
dagbesteding. Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
meewerken aan schuldhulpverlening. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
meewerken aan middelencontrole. Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en softdrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
begeleiding door IFA. Veroordeelde laat zich begeleiden en heeft contact met zijn IFA coach, zolang als de reclassering dit nodig vindt.
De inhoud van de vordering
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank alsnog de tenuitvoerlegging zal bevelen van de voorwaardelijk opgelegde maatregel.
De procesgang
De rechtbank heeft de vordering op 4 oktober 2023 op zitting behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. I. Baardman, de officier van justitie, mr. M.R.F. van Raab van Canstein, en de deskundige [reclasseringsmedewerker 1] , werkzaam bij Reclassering Nederland, laatstgenoemde via een videoverbinding, op de openbare terechtzitting gehoord.
Veroordeelde is, hoewel rechtsgeldig opgeroepen, niet op de openbare terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
de vordering van de officier van justitie van 3 augustus 2023;
voormeld vonnis;
een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering op 8 september 2023 aan de veroordeelde in persoon is betekend;
het reclasseringsadvies van 28 juli 2023, opgesteld door [reclasseringsmedewerker 2] .
Het reclasseringsadvies
Uit het “Advies aan opdrachtgever voortijdige negatieve beëindiging toezicht Reclassering Nederland” (hierna: het rapport) van 28 juli 2023 blijkt onder meer het volgende.
Veroordeelde staat onder toezicht bij Reclassering Nederland in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel. De reclassering heeft vastgesteld dat sprake is van overtreding van de bijzondere voorwaarden. Veroordeelde heeft zich onvoldoende gehouden aan de meldplichtafspraken bij de reclassering. Daarnaast heeft hij zich te laat afgemeld voor afspraken met de Intensieve Forensische Aanpak (IFA) coach. Ook heeft hij niet goed meegewerkt aan de afname van een urinecontrole en is er sprake van veelvuldig alcohol- en drugsgebruik, ondanks een verbod op deze middelen. Laatstgenoemde is bij veroordeelde een grote risicofactor. In het verleden heeft het gezorgd voor delictgedrag en momenteel voor zorgelijk gedrag op straat. Veroordeelde heeft geen stabiliteit aangaande zijn leefgebieden. Hij verblijft tijdelijk bij een vriend, heeft geen dagbesteding en geen inkomen. Er zijn zorgen omtrent het sociaal netwerk van
veroordeelde. Door de genoemde situatie ziet de reclassering geen mogelijkheden meer om het reclasseringstoezicht verder uit te voeren omdat veroordeelde zich aan verschillende bijzondere voorwaarden onttrekt. De reclassering is van mening niet langer te kunnen bijdragen aan het beïnvloeden van het gedrag van veroordeelde en het uitvoeren van een adequaat risicomanagement, daar met name bij veroordeelde zijn verslavingsproblematiek op de voorgrond lijkt te staan. Hierdoor zijn de risico's tot op heden hoog.
De reclassering adviseert een beslissing waardoor het reclasseringstoezicht voortijdig negatief beëindigd wordt. De reclassering is van mening dat veroordeelde de voorwaarden heeft overtreden. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking.
Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2023 heeft de deskundige [reclasseringsmedewerker 1] het advies bevestigd en in aanvulling daarop - zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:
Wij weten niet hoe het op dit moment met veroordeelde gaat. De afgelopen tijd is geprobeerd contact met veroordeelde te krijgen, ook in het kader van de Top600, maar dat is niet gelukt. De reclassering maakt zich ernstig zorgen over het alcoholgebruik van veroordeelde en staat niet positief tegenover een herkansing van het toezicht.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de zitting niet plaatsvindt binnen een maand na het indienen van de vordering. Dat maakt echter niet dat het Openbaar Ministerie daarmee niet-ontvankelijk in de vordering zou moeten worden verklaard. Hoewel de zaak in eerste instantie bij het verkeerde forum (op een politierechterzitting) is aangebracht en er onterecht een signalering van veroordeelde is geweest, heeft het Openbaar Ministerie adequaat gehandeld toen de raadsman aan de bel trok. Er is al met al naar het oordeel van de rechtbank sprake van een overschrijding met 12 dagen. In de door de raadsman aangehaalde zaak van de politierechter ging het volgens de politierechter om een aanzienlijke overschrijding met 26 dagen. Alleen al om deze reden is die zaak niet van overeenkomstige toepassing op de zaak van veroordeelde. Verder overweegt de rechtbank dat de wet geen sanctie verbindt aan de overschrijding van de termijn van een maand. Op grond van het vorenstaande laat de rechtbank het dan ook bij de constatering dat de termijn is overschreden. Het primaire verzoek wordt dan ook afgewezen en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.
Wel verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering als het gaat om de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid, nu daar geen bijzondere voorwaarde(n), maar slechts een algemene voorwaarde aan gekoppeld is.
Ook het subsidiaire verzoek van de raadsman wordt door de rechtbank afgewezen. Veroordeelde heeft een allerlaatste kans gekregen, maar heeft zich van het begin af aan meermalen niet gehouden aan verschillende voorwaarden. Daaruit blijkt dat veroordeelde deze allerlaatste kans niet met beide handen heeft aangegrepen en de rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat dit nu anders zal zijn. Veroordeelde kampt op verschillende leefgebieden met problemen en het recidiverisico is nog altijd hoog. Veroordeelde heeft zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal dan ook de vordering toewijzen en de tenuitvoerlegging van de maatregel voor de duur van twee jaar bevelen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering voor zover die ziet op de tenuitvoerlegging van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen;
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige toe en beveelt de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.
Deze beslissing is genomen door
mr. E. Akkermans, voorzitter,
mr. A. Eichperger en mr. M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 oktober 2023.