Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-28
ECLI:NL:RBAMS:2023:6458
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,399 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/156932-23
Datum uitspraak: 28 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2023 door de rechtbank in Sønderborg (Denemarken) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [woonplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 september 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K.K. Hansen Löve, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 19 juni 2023 van de rechtbank in Sønderborg met kenmerk K01-3491/2023.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Genoegzaamheid
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van het strafbare feit waarvoor de overlevering gevraagd wordt niet voldoet aan de in artikel 2 OLW genoemde vereisten en dat de overlevering derhalve geweigerd dient te worden. Het is onduidelijk in welke mate de opgeëiste persoon betrokken is bij het omschreven feitencomplex. Er staat dat hij meegewerkt zou hebben aan de invoer van verdovende middelen in Denemarken, maar er worden geen feitelijke gedragingen van de opgeëiste persoon genoemd en evenmin is duidelijk uit welke bewijsmiddelen dat blijkt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De verdenking wordt in het EAB zeer specifiek omschreven. De exacte betrokkenheid van de opgeëiste persoon zal in Denemarken, tijdens de procedure aldaar, moeten blijken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de bovengenoemde vereisten. Uit de omschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB volgt duidelijk dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van betrokkenheid bij de invoer van drugs in Denemarken, wat heeft plaatsgevonden op een specifiek genoemde datum en tijdstip en bij een specifiek genoemde grensovergang. In het A-formulier is de aard van zijn betrokkenheid aangeduid als perpetrator (dader). De rechtbank beschikt in overleveringszaken in beginsel niet over het inhoudelijke strafdossier van de lidstaat die het EAB heeft uitgevaardigd en heeft dit dossier op grond van het vertrouwensbeginsel ook niet nodig om te beoordelen of een EAB genoegzaam is. Verweren die zien op het bewijs kunnen in de Deense procedure aan de orde komen en hebben in de overleveringsprocedure geen plaats.
Het verweer slaagt niet.
5Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW is vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Danish Director of Public Prosecutions heeft de volgende garantie gegeven:
“By e-mail of 7 August 2023, the authorities of the Netherlands requested a guarantee that [opgeëiste persoon], if he is sentenced to an unconditional prison sentence, will be allowed to carry out his sentence in the Netherlands after his sentence is final and enforceable.
The Danish Director of Public Prosecutions guarantees, in compliance with Article 5(3) of the Council Framework Decision on European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States (2002/584/JHA) and request of the Dutch judicial authorities, that [opgeëiste persoon], when surrendered to the Danish authorities, would be returned to the Netherlands to serve his sentence there, providing that following his surrender a prison sentence or other measure depriving him of his liberty would be imposed upon him and he would wish so.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat blijkens het A-formulier geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het bewijs zich kennelijk in Denemarken bevindt, dat de drugs aldaar zijn ingevoerd, dat Denemarken een EAB heeft uitgevaardigd en dat Nederland niet voornemens is om zelf vervolging in te stellen.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van artikel 13 OLW te weigeren, omdat het de voorkeur verdient om de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank is, gelet op de argumenten van de officier van justitie, van oordeel dat het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechtbank in Sønderborg (Denemarken) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.