Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-28
ECLI:NL:RBAMS:2023:6455
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,595 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/077260-23
Datum uitspraak: 28 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 18 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2021 door the Circuit Court Warszawa – Praga in Warsaw (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 september 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Canterella, advocaat in Den Haag. Hij neemt waar voor zijn kantoorgenoot, mr. J.G.W.M. Lut. De opgeëiste persoon is daarnaast bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB, artikel 12 OLW
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Wołomin van 28 oktober 2015 met referentie II K 599/15. Bij dit vonnis is aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke straf opgelegd. Blijkens het EAB was de opgeëiste persoon in persoon aanwezig bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid.
Bij beslissing van 5 december 2018 van the District Court in Warsaw is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf bevolen omdat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zo blijkt uit aanvullende informatie van 23 augustus 2023. Voor dit nieuwe strafbare feit is hij veroordeeld bij vonnis van the District Court Warszawa-Praga Południe in Warsaw van 19 september 2016 met referentie III K 685/16.Blijkens de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 28 augustus 2023 was de opgeëiste persoon ook in persoon aanwezig bij het proces dat tot dit laatste vonnis heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar en vier maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 28 oktober 2015.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
telkens: medeplegen van oplichting
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsman heeft primair verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en om de overlevering te weigeren, zodat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland kan uitzitten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Het gelijkstellingsverweer moet buiten beschouwing gelaten worden, nu de stukken te laat zijn aangeleverd, hetgeen in strijd is met de vaste jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam. Ook wanneer het gelijkstellingsverweer wel inhoudelijk beoordeeld zou worden, kan van gelijkstelling geen sprake zijn. Het is op grond van de screenshots van het UWV (waarop geen naam vermeld is) niet duidelijk of de daarop vermelde gegevens daadwerkelijk de opgeëiste persoon betreffen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank stelt voorop dat de gelijkstellingsstukken te laat zijn aangeleverd. Bovendien maakt ook een inhoudelijke beoordeling van de overlegde gelijkstellingsstukken niet dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld zou kunnen worden, nu niet vastgesteld kan worden of de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde. De rechtbank kan uit de overgelegde screenshots van het UWV niet afleiden of het daarop vermelde arbeidsverleden ziet op de opgeëiste persoon, nu nergens op die screenshots personalia vermeld staan. De raadsman, die op zitting hiermee is geconfronteerd, heeft aangegeven dat er geen andere stukken zijn dan de stukken die ten tijde van de zitting reeds waren overgelegd.
Het verweer slaagt niet. De opgeëiste persoon wordt niet gelijkgesteld met een Nederlander.
6Artikel 11 OLW
De raadsman heeft subsidiair verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW, nu de opgeëiste persoon in het geval van zijn overlevering te vrezen heeft voor represailles, omdat zijn vader, die zelf is veroordeeld door een Poolse rechtbank, als kroongetuige heeft verklaard tegen diens medeverdachten in een omvangrijk Pools strafrechtelijk onderzoek tegen een georganiseerde misdaadgroep. Deze medeverdachten zijn dankzij de verklaringen van de kroongetuige veroordeeld tot aanzienlijke gevangenisstraffen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman niet kan slagen, nu het door hem gestelde gevaar niet concreet, noch met toereikende stukken aangetoond is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman zo dat hij de rechtbank verzoekt aan de overlevering geen gevolg te geven, nu weigering op grond van artikel 11 OLW niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Alvorens toegekomen kan worden aan het beoordelen van het individuele gevaar op een schending van artikel 11 OLW, moet worden beoordeeld of sprake is van een algemeen reëel gevaar op een dergelijke schending. Er is door de raadsman echter niets aangevoerd waaruit blijkt dat er in het algemeen in Poolse gevangenissen sprake is van onvoldoende bescherming van familieleden van kroongetuigen door de Poolse autoriteiten. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die duiden op een dergelijk algemeen reëel gevaar. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon komt de rechtbank dus niet toe.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court Warszawa – Praga in Warsaw (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 23 maart 2023, gevoegde zaken C514/21 en C515/21, ECLI:EU:C:2023:235, moet ook deze procedure aan artikel 12 OLW getoetst worden.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk rechtbank Amsterdam 30 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3717.
Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 88 e.v.