Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-03
ECLI:NL:RBAMS:2023:6230
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,592 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/135782-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 3 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 7 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 april 2023 door the Circuit Court in Sieradz – II Criminal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1971
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 6 september 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 september 2023, in aanwezigheid van mr. S. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.D. Renshof, advocaat in Hoorn en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om een voorgenomen gelijkstellingsverweer met nadere stukken te kunnen onderbouwen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 19 september 2023
De behandeling van het EAB is met instemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie hervat op de zitting van 19 september 2023 in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie.
De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.D. Renshof en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
3.1.
Inleiding
Het EAB vermeldt drie vonnissen:
1. Judgment of the District Court in Zdunska Wola of 5ᵗʰ October 2015 issued in the case with
reference II K 329/14 - enforceable and final from 10ᵗʰ February 2016. In hoger beroep heeft de Circuit Court of Sieradz op 10 februari 2016 in deze zaak arrest gewezen, ref. II K 271/15.
2. Judgment of the District Court for Lódz - Widzew in Lódz of 17 February 2015 issued in case with reference ID K 690/14 - enforceable and final from 25ᵗʰ February 2015.
3. Judgment of the District Court in Lask of 22ⁿᵈ September 2015 issued in the case with reference II K 150/15, enforceable and final from 5ᵗʰ October 2015.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van respectievelijk 5 jaar gevangenisstraf en 175 dagen vervangende hechtenis (vonnis 1), 1 jaar en 3 maanden gevangenisstraf (vonnis 2) en 8 maanden gevangenisstraf (vonnis 3), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.2.
Genoegzaamheid van de stukken
Ten aanzien van feit XX van vonnis 1 wordt in het EAB en overige stukken geen pleegplaats genoemd en er is sprake van een ongespecificeerde periode. Naar het oordeel van de rechtbank is het EAB ten aanzien van dit feit ongenoegzaam en dus zal de rechtbank de verzochte overlevering voor dit feit weigeren. Gelet op het tijdsverloop in de overleveringsprocedure, ligt het stellen van nadere vragen hierover niet in de rede.
4De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Standpunten
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over artikel 12 OLW.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van geen van de drie vonnissen de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.
Oordeel van de rechtbank
Vonnis 1 (II K 329/14 en II Ka 371/15)
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW,
voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Nu uit het EAB en de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie niet is af te leiden of in hoger beroep de schuldvraag en de strafoplegging aan de orde zijn geweest, worden zekerheidshalve zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep getoetst aan artikel 12 OLW.
Uit de informatie van het EAB en die van de aanvullende informatie van 23 augustus 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon zowel bij het proces in eerste aanleg als bij het proces in hoger beroep aanwezig is geweest. Artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
Vonnis 2 (III K 690/14)
De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van 23 augustus 2023 van de uitvaardigende justitiële autoriteit af dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering zou kunnen weigeren op grond van artikel 12 OLW.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 23 augustus 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon in de
Pre-trial proceedings afspraken met de Poolse officier van justitie heeft gemaakt over de straf. De opgeëiste persoon heeft bovendien een adres opgegeven waarop hij op 30 december 2014 is opgeroepen voor de zitting. Deze oproeping is in ontvangst genomen door de moeder van de opgeëiste persoon. Voorts blijkt dat de opgeëiste persoon op 18 september 2014 bij zijn verhoor door de politie een adresinstructie heeft ontvangen waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan deze instructie. Ten slotte heeft de opgeëiste persoon in zijn verklaring bij de rechtbank bevestigd dat hij een overeenkomst met de Poolse officier van justitie heeft gesloten en dat hij een adresinstructie heeft ontvangen.
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, en ofwel uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces ofwel kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Feiten
Vonnis 1 (II K 329/14)
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I t/m XX en XXII t/m XXVI niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
Feiten
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf het verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd
De vonnissen 2 (III K 690/14) en 3 (II K 150/15)
De opgeëiste persoon is in Polen door twee verschillende rechtbanken veroordeeld wegens het niet betalen van kinderalimentatie voor zijn twee kinderen, terwijl hij daartoe wettelijk verplicht was op basis van een rechterlijke beslissing.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd voor deze vonnissen aangezien het niet betalen van kinderalimentatie niet strafbaar is in Nederland. Zij verzoekt de rechtbank niet af te zien van deze weigeringsgrond gezien de ouderdom van de zaken.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden om bij de Poolse autoriteiten te informeren of zij het EAB wensen te handhaven aangezien het om oude feiten gaat.
Standpunt van de officier van justitie
Het niet betalen van kinderalimentatie is weliswaar niet strafbaar naar Nederlands recht, maar van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW dient te worden afgezien nu er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde. De officier van justitie ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.
Oordeel van de rechtbank
Het feit zoals omschreven in het EAB betreft het niet betalen van kinderalimentatie. Dit is naar Nederlands recht niet strafbaar.
De rechtbank kan aan de hand van het EAB immers niet vaststellen dat de opgeëiste persoon tijdens het begaan van dit feit (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn kind. De rechtbank ziet echter aanleiding om van weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. De feiten zijn begaan in Polen door een onderdaan van Polen tegen andere onderdanen van Polen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de straf niet door Nederland wordt overgenomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een weigering zou leiden tot straffeloosheid. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank te worden voorkomen. De rechtbank verwerpt het verweer. Ten slotte ziet de rechtbank op grond van het voorgaande geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw
Aan de hand van haar ter zitting overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw betoogd dat op grond van de overgelegde documenten en bankafschriften kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Op grond hiervan dient de opgeëiste persoon gelijk te worden gesteld met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW en dient Nederland de in Polen opgelegde gevangenisstraf over te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De opgeëiste persoon kan niet worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW aangezien niet met objectieve gegevens kan worden aangetoond dat de opgeëiste persoon in 2018 inkomsten heeft gehad zodat in ieder geval voor die periode geldt dat niet is voldaan aan 50% van de bijstandsnorm.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op 6 augustus 2018 in de BRP als “niet-ingezetene” geregistreerd stond en eerst vanaf eind januari 2019 ingeschreven stond op een adres in Weesp. Vanaf februari 2019 heeft hij – zo blijkt uit de stukken – inkomsten uit een eigen klusbedrijf en uit werk voor diverse uitzendbureaus. Over de periode september 2018-februari 2019 ontbreken dergelijke gegevens. Weliswaar voert hij aan dat hij bij een neef in Den Haag gewoond heeft en via een vriend heeft gewerkt echter hiervan zijn geen bewijsstukken overgelegd, afgezien van een schriftelijke verklaring van de neef dat hij daar gewoond heeft. Het overgelegde polisblad waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon zich in juni 2018 zou hebben aangemeld bij een Ziektekostenverzekeraar, doet daar niet aan af.
De rechtbank vindt daarmee dat onvoldoende is aangetoond dat de opgeëiste persoon in de periode – september 2018 tot februari 2019 - rechtmatig in Nederland verbleef.
Voor de periode na januari 2019 tot heden is weliswaar betoogd, onder overlegging van stukken, dat de opgeëiste persoon voldoende inkomen had uit zijn klusbedrijf en uitzendwerk, echter ook over deze periode zijn geen objectieve gegevens – zoals belastingaangiftes en belastingaanslagen – overgelegd. De opgeëiste persoon heeft bovendien verklaard dat hij over alle jaren geen aangifte heeft gedaan.
Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan zodat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Conclusie
De rechtbank heeft onder 3.2 al geoordeeld dat de overlevering ten aanzien van feit XX uit vonnis 1 dient te worden geweigerd.
De rechtbank stelt vast dat het EAB voor het overige voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe voor de overige feiten.
De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd voor de feiten van vonnis 1 waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Sieradz – II Criminal Division (Polen) voor de feiten I tot en met XXVI – met uitzondering van feit XX –uit vonnis 1, de feiten uit vonnis 2 en de feiten uit vonnis 3 zoals deze zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Sieradz – II Criminal Division (Polen) voor feit XX uit vonnis 1 zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628
Vergelijk: Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, (Zdziaszek), ECLI:EU:C:2017:629.