Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2023-10-03
ECLI:NL:RBAMS:2023:6226
Strafrecht
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer 13/263643-22 (AB III) Datum uitspraak: 3 oktober 2023 UITSPRAAK op de vordering op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Uitvoeringswet) in verbinding met artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juli 2023 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op 29 augustus 2022 door de Oslo Public Prosecutors’ Offices (Noorwegen). Het aanhoudingsbevel strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Noorwegen) op [geboortedag] 1984 laatst opgegeven adres: [adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie detentie] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 september 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon heeft bij schriftelijke verklaring van 18 september 2023 afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij is vertegenwoordigd door zijn hiertoe gemachtigde raadsvrouw, mr. K.K. Hansen Löve advocaat in Amsterdam. Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet in verbinding met artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van artikel 22 OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Noorse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het aanhoudingsbevel In het aanhoudingsbevel wordt melding gemaakt van de beslissing van the Oslo District Court van 23 augustus 2022 tot het uitvaardigen van een Judicial arrest warrant, case no: 22-118690ENE-TOSL/02. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Noors recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel. 4Strafbaarheid 4.1 Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen; Volgens de in rubriek c) van het aanhoudingsbevel vermelde gegevens is op deze feiten naar Noors recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die staat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Dat in het onderhavige geval voor het feit van afpersing geen lijstfeit opleveren, kan niet direct tot weigering van de overlevering leiden. In zo’n geval moet de rechtbank nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht. Pas wanneer ook naar Nederlands recht de strafbaarheid van het feit ontbreekt, rijst de vraag of de rechtbank gebruik maakt van de haar in de Overeenkomst geboden facultatieve weigeringsgrond. De raadsvrouw heeft hieromtrent geen verweer gevoerd en de voormelde feiten zijn naar Nederlands recht evident strafbaar. De rechtbank zal daarom geen gebruik maken van de haar in de Overeenkomst geboden facultatieve weigeringsgrond. Daarnaast leveren de feiten van het bezit van softdrugs in dit geval geen lijstfeit op. De rechtbank zal hierna voor deze feiten wel de dubbele strafbaarheid toetsen nu uit de e-mail van 11 augustus 2023 van de Noorse autoriteiten blijkt dat de maximale gevangenisstraf voor deze feiten 2 jaar bedraagt in plaats van de bij een lijstfeit vereiste maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaren. 4.2. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de feiten van het bezit van softdrugs in het onderhavige geval geen lijstfeit oplevert. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Overeenkomst) genoemde vereisten. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Oslo Public Prosecutors’ Offices (Noorwegen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 oktober 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen. Nu is vastgesteld dat het aanhoudingsbevel voldoet aan de in de Overeenkomst en Uitvoeringswet gestelde vereisten en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsartikelen artikelen 3 en 11 Opiumwet; artikel 1 Overleveringswet; artikelen 1 en 3 van de Uitvoeringswet; artikelen 2, 3 en 11 van de Overeenkomst.