Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-27
ECLI:NL:RBAMS:2023:6010
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,765 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031689-23 (was: 13/752111-18)
Datum uitspraak: 27 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 december 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 september 2018 door the Circuit Court in Katowice, V Penal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Het EAB is behandeld op de zittingen van 26 februari 2019 en 9 mei 2019. De rechtbank heeft de behandeling eerst aangehouden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zijn beroep op gelijkstelling met een Nederlander nader te onderbouwen en later om de antwoorden op - in een andere zaak gestelde - prejudiciële vragen af te wachten, die ook van belang zouden kunnen zijn voor de afdoening van deze zaak.
De behandeling van het EAB is - met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 13 september 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding (tot aan de uitspraak).
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Circuit Court in Katowice van 1 oktober 2007 (V K 213/06).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, vijf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Is het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar (artikel 2, tweede lid onder c, OLW)?
In het EAB is vermeld dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf naar Pools recht op
7 februari 2023 verjaart. De officier van justitie heeft daarom navraag laten doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de verjaringstermijn. Hierop heeft the Regional Court in and for Katowice XXII Executive Division bij brief van 21 augustus 2023 laten weten dat de verjaringsdatum nu is bepaald op 7 februari 2033. De verjaringstermijn is gedurende tien jaar opgeschort (van 19 april 2010 tot 18 april 2020) vanwege de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zich verborgen heeft gehouden voor de Poolse autoriteiten.
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet onvindbaar was voor de Poolse autoriteiten. In het EAB, dat op 3 september 2018 is uitgevaardigd, is namelijk al het vermoeden geuit dat de opgeëiste persoon in Nederland zou verblijven. Verder is hij in 2019 aangehouden in Nederland en op zitting verschenen. Volgens de raadsman moet van de verjaringsdatum in het EAB worden uitgegaan, wat maakt dat geen sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis. De overlevering moet worden geweigerd gelet op artikel 2, tweede lid, onder c, van de OLW.
De officier van justitie vindt dat moet worden uitgegaan van verjaring naar Pools recht op
7 februari 2033, zoals vermeld in de brief van 21 augustus 2023. Daarmee is sprake van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel moet worden vertrouwd op de door de Poolse justitiële autoriteit verstrekte informatie dat de verjaringstermijn niet is verstreken. De omstandigheden die de raadsman heeft aangevoerd, geven geen aanleiding dit uitgangspunt te verlaten. Daarbij is van belang dat de beslissing is gebaseerd op het Poolse recht. Verder staan in de motivering van de beslissing geen evident feitelijke onjuistheden, die aanleiding geven om navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf naar Pools recht nog niet is verjaard en dat er sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat er een beroepsprocedure is geweest, die heeft geleid tot het arrest van the Katowice Court of Appeal van 7 februari 2008 (referentie: II AKa 6/08). Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Uit de verstrekte informatie wordt niet duidelijk of daarvan in dit geval sprake is. De rechtbank zal daarom zowel het vonnis in eerste aanleg als het arrest in beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
Het vonnis van
the Circuit Court in Katowice
van 1 oktober 2007
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing op dit vonnis.
Het arrest van
the Katowice Court of Appeal
van 7 februari 2008
Uit de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 februari 2019 (en het voor het hoger beroep ingevulde ‘D-formulier’) volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting, maar dat hij wel in persoon is gedagvaard voor de zitting en is geïnformeerd over de datum en plaats van de zitting en dat een beslissing zou kunnen worden genomen bij afwezigheid van de opgeëiste persoon. Ten aanzien van het arrest is dus sprake van de situatie genoemd in artikel 12 onder a, OLW, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW evenmin van toepassing is op het arrest.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice, V Penal Division (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas) ECLI:EU:C:2017:628.
Inleiding
Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f OLW
De raadsman vindt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het recht op tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer moet worden verworpen. De raadsman kwalificeert het feit, waarvoor de straf is opgelegd, naar Nederlands recht namelijk ten onrechte als het aanwezig hebben van verdovende middelen vermeld op lijst II bij de Opiumwet (zoals bedoeld in artikel 3, onder C, van de Opiumwet). Uit de omschrijving in het EAB blijkt immers dat de opgeëiste persoon verdovende middelen heeft ingevoerd. Het feit valt naar Nederlands recht dus onder de bepaling van artikel 3, onder A, van de Opiumwet. Nu het gaat om een grote hoeveelheid verdovende middelen genoemd op lijst II bij de Opiumwet is de strafbedreiging ingevolge artikel 11, lid 5, van de Opiumwet een gevangenisstraf van zes jaar. Gelet op het bepaalde in artikel 70, lid 1, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:22 van het Wetboek van Strafvordering is sprake van een tenuitvoerleggingstermijn van zestien jaar. Uit artikel 6:1:23 volgt dat de tenuitvoerleggingstermijn in dit geval op 8 februari 2008 – de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd – in gaat en dus pas op 8 februari 2024 verstrijkt.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman
Voor het geval de rechtbank de andere verweren zou passeren, heeft de raadsman een beroep gedaan op gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander en weigering van de overlevering en overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland bepleit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de opgeëiste persoon moet worden gelijkgesteld met een Nederlander en dat de overlevering moet worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland moet worden overgenomen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 9 mei 2019 blijkt dat de rechtbank destijds van oordeel is geweest dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander slaagt.
De opgeëiste persoon voldeed destijds (2019) immers – kort gezegd – al aan de voorwaarde van een ‘duurzaam opgebouwd verblijfsrecht’ (I) en ten aanzien van hem bestond niet de verwachting dat de Poolse veroordeling zou leiden tot beëindiging van zijn duurzaam verblijfsrecht in Nederland (II). De rechtbank neemt dat oordeel in deze uitspraak over.
Omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zijn duurzaam verblijfsrecht nadien heeft verloren, is nog steeds sprake van gelijkstelling met een Nederlander.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor in rubriek 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit de omstandigheid dat de opgeëiste persoon al vele jaren in Nederland verblijft en in Nederland werkzaam is, volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.