Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-19
ECLI:NL:RBAMS:2023:6006
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,338 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/058763-23
Datum uitspraak: 19 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 7 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 februari 2022 door the District Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
Verblijfadres: [adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 24 augustus 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. C.M. van Ommeren, advocaat in Rotterdam. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
De behandeling van de zaak is aangehouden, omdat de opgeëiste persoon niet is aangevoerd.
Zitting 5 september 2023
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 5 september 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.M. van Ommeren en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een valid verdict of the Regional Court in Środa Śląska (Polen) van 18 oktober 2017 (referentienummer: II K 403/17).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Bij beslissing van 6 februari 2019 is de tenuitvoerlegging van de straf bevolen omdat de opgeëiste persoon niet heeft voldaan aan de voorwaarde van een opgelegde betalingsverplichting. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 6 februari 2019 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.
3.2
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB niet genoegzaam is, omdat het tijdstip waarop het feit zou zijn gepleegd niet is genoemd in het EAB. Daarnaast blijkt uit het EAB niet op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de zitting die heeft geleid tot de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op 16 juni 2017 in Malczyce (Polen). De rechtbank stelt daarnaast vast dat niet is vereist dat het EAB informatie verstrekt over de procedure omtrent de omzettingsbeslissing. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat deze beslissing niet valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat met de omschrijving van het feit aan genoemde vereisten, ook voor wat het tijdstip betreft, is voldaan en het EAB genoegzaam is. De rechtbank verwerpt het verweer.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.
5Gelijkstelling
De raadsman heeft verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om een gelijkstellingsverweer te onderbouwen en hij heeft verzocht om de opgeëiste persoon de in Polen opgelegde straf in Nederland te laten ondergaan. De opgeëiste persoon woont sinds 2019 in Nederland, werkt in Nederland en voelt zich verbonden met Nederland. Bovendien is het voor de opgeëiste persoon gunstig dat de straf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, omdat de in Polen opgelegde straf naar beneden zou worden aangepast, gelet op het verschil in strafmaxima in Nederland en Polen.
De rechtbank wijst het verzoek om een gelijkstellingsverweer te onderbouwen af. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat op geen enkele wijze is gebleken dat de opgeëiste persoon al vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon verblijft namelijk pas sinds 2019 in Nederland. Dit brengt met zich mee dat er geen grondslag is voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf zoals bedoeld in artikel 6a OLW.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat – wanneer de opgeëiste persoon zou zijn gelijkgesteld met een Nederlander en de tenuitvoerlegging van de straf zou worden overgenomen – de straf niet naar beneden zou worden aangepast. De opgelegde vrijheidsstraf overschrijdt immers niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Wrocław (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.