Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2023-06-07
ECLI:NL:RBAMS:2023:5987
Strafrecht
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/087803-23 Datum uitspraak: 7 juni 2023 UITSPRAAK op de vordering van 31 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2020 door het parket-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], [plaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, die waarneemt namens zijn collega, mr. L. de Leon, eveneens advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het hof van Beroep van Antwerpen van 21 februari 2020 – C5-kamer, referentie: 2015/PGA/2180 (Griffienummer 304/2020). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 900 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit A aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit B niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit naar Nederlands recht op: diefstal 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW, omdat de opgeëiste persoon er de voorkeur aan geeft om te worden overgeleverd aan België. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW moet worden toegepast, en dat de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland kan (en moet) worden overgenomen. De opgeëiste persoon heeft immers de Nederlandse nationaliteit, waardoor een goede resocialisatie in Nederland aannemelijker is dan in België. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overleving van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a OLW. Zij acht daarbij het volgende van belang. Artikel 6a, eerste lid, OLW geeft uitvoering aan artikel 4, onder 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, welke bepaling er in het bijzonder toe strekt de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht toe te kennen aan de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie van de opgeëiste persoon te verhogen. Artikel 6a, eerste lid, OLW betreft echter een weigeringsgrond die restrictief moet worden uitgelegd. Overlevering is de hoofdregel. De overlevering ziet op een straf die in België is opgelegd en die – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – in beginsel in België ten uitvoer moet worden gelegd. De opgeëiste persoon heeft uitdrukkelijk de wens geuit zijn straf in België uit te zitten. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW niet in de weg staat aan overlevering aan België. 6Verjaring als bedoeld in artikel 9 OLW De officier van justitie heeft opgemerkt dat, afhankelijk van de kwalificatie van het feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld, de verjaringstermijn reeds is verstreken of zal verstrijken op 29 mei 2023. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging, of, zo de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben. De rechtbank stelt vast dat de overlevering ziet op de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd op 21 februari 2020 en dat de tenuitvoerleggingstermijn als bedoeld in artikel 6:1:22 van het Wetboek van Strafvordering nog lang niet is verstreken. STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het parket-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. P. Sloot en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. V. Reinders en M. Utlu, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 juni 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536, rechtsoverweging 5. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589. De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a, 7 van de Overleveringswet.