Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-12
ECLI:NL:RBAMS:2023:5755
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,943 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/082512-23
Datum uitspraak: 5 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 30 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2023 door het Amtsgericht Rheine (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
gedetineerd in [detentieplaats] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een op 25 januari 2023 door het Amtsgericht Rheine uitgevaardigd arrestatiebevel met referentie 32 Gs - 70 Js 29/23 - 18/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
5Onschuldverweer
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon onschuldig is aan het aan hem verweten feit. Hij wilde aandacht vragen voor een hulpbehoevend persoon, maar heeft geen goederen heeft weggenomen. De overlevering dient dan ook te worden geweigerd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 26, vierde lid, van de OLW dient de opgeëiste persoon, indien hij beweert niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, dat tijdens het verhoor bij de rechtbank aan te tonen. Uit deze bepaling volgt dat de opgeëiste persoon zijn onschuld meteen dient aan te tonen. Hetgeen is aangevoerd komt in de kern erop neer dat de opgeëiste persoon het in het EAB bedoelde feit (deels) heeft begaan. Reeds om die reden kan het onschuldverweer niet leiden tot weigering van de overlevering.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Hoofdofficier van justitie in Münster heeft bij brief van 7 augustus 2023 de volgende garantie gegeven:
“
Europees arrestatiebevel van 09.03.2023 betreffende [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] .1980 in [geboorteplaats]
(…)
Verzekerd wordt dat de vervolgde persoon, in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondesrepubliek Duitsland, op basis van de geldige lezing van het kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd, met het oog op te tenuitvoerlegging daarvan in de Europese Unie (pbl. L 327 van 05-12-2008, pagina 27) voor de verdere tenuitvoerlegging naar Nederland zal worden overgedragen.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
7Artikel 35 OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op dit moment niet tot overlevering kan worden overgegaan. In verband met de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon moet er eerst een onderzoek plaatsvinden naar zijn detentiegeschiktheid.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon niet kan leiden tot weigering van de overlevering. Dit kan een rol spelen bij de afweging of feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. Als de rechtbank de overlevering toestaat, dan is het aan de officier van justitie om te beoordelen of de psychische gesteldheid overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de OLW tot uitstel van de feitelijke overlevering zouden moeten leiden. De beslissing over de feitelijke overlevering staat los van de door de rechtbank daaraan voorafgaand te nemen beslissing over de toelaatbaarheid van de overlevering.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, en 7 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Rheine (Duitsland) voor het feit zoals dit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. B. van Galen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.