Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-30
ECLI:NL:RBAMS:2023:5739
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,393 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/127880-23
Datum uitspraak: 30 augustus 2023
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 16 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 april 2023 door het Landgericht Köln, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Jamaica) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Jamaicaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een op 17 mei 2022 door het Landgericht Köln gewezen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis met dossiernummer 108 KLs 14/22.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens informatie van het EAB resteren nog 796 dagen.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het onderzoek is in Duitsland uitgevoerd;
- het bewijsmateriaal bevindt zich in Duitsland;
- de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd en waren bestemd voor de Duitse markt;
- de vervolging en berechting hebben al plaatsgevonden in Duitsland en er ligt thans een voor
tenuitvoerlegging vatbaar vonnis;
- het openbaar ministerie is niet voornemens vervolging voor het feit in te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, het gegeven de omstandigheid dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW; heropening van het onderzoek
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft in zijn op 9 augustus 2023 ingediende schriftelijke standpunt en ter zitting betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a, negende lid, OLW aangezien de opgeëiste persoon echtgenoot is van een EU burger. Zijn echtgenote heeft de Italiaanse nationaliteit en heeft zich in Nederland gevestigd. Het verblijfsrecht van de echtgenote van de opgeëiste persoon strekt zich op grond van artikel 7 van de Richtlijn EU/2004/38 ook uit over de opgeëiste persoon. Zij zijn op 24 april 2017 getrouwd en wonen samen op het [adres opgeëiste persoon] . Op dat adres staat de opgeëiste persoon sinds 28 juni 2017 ingeschreven. Ten slotte bestaat niet de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat weliswaar is gebleken dat de opgeëiste persoon vijf jaren ononderbroken verblijf in Nederland heeft gehad, maar dat niet is gebleken dat hij in die periode hier economisch actief is geweest. Evenmin kan de opgeëiste persoon een beroep doen op een van zijn Italiaanse echtgenote afgeleid duurzaam verblijfsrecht in Nederland, omdat hij onvoldoende inkomensgegevens van zijn echtgenote heeft verstrekt. Hij heeft namelijk met betrekking tot de inkomsten van zijn echtgenote uitsluitend een salarisstrook van de maand mei van 2023 overgelegd. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de afgelopen 5 jaar een ziektekostenverzekering had. De opgeëiste persoon kan dan ook niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Dat is ook de reden dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) niet is gevraagd een advies uit te brengen omtrent het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon heeft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De opgeëiste persoon heeft als derdelander een beroep gedaan op een van zijn Italiaanse echtgenote afgeleid duurzaam verblijfsrecht in Nederland.
Dictum
HEROPENT het onderzoek ter zitting.
SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de reden zoals vermeld onder 6.
BEPAALT dat de zaak in ieder geval vóór 10 september 2023 op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Engelse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. B. van Galen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.