Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-30
ECLI:NL:RBAMS:2023:5678
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,463 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/070714-23
Datum uitspraak: 30 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 26 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2022 door the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Vermaat, advocaat in Rotterdam. Hij nam waar voor zijn kantoorgenote, mr. E.A. Blok. De opgeëiste persoon is daarnaast bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement van the District Court in Bydgoscz van 9 juni 2017 met kenmerk IX K 179/16. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit zoals gegeven bij brief van 3 augustus 2023 blijkt dat the Regional Court in Bydgoscz op 15 november 2017 in hoger beroep uitspraak heeft gedaan bij arrest met referentie IV Ka 801/17. Hierbij is het vonnis in eerste aanleg in stand gebleven.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep niet uit heeft kunnen oefenen. De opgeëiste persoon betwist onder andere dat er voor de procedure in hoger beroep oproepingen naar zijn Poolse adres zijn verstuurd, zoals in de aanvullende informatie is aangegeven.
De officier van justitie vindt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de stukken blijkt niet voldoende duidelijk of in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld en straf van de opgeëiste persoon. Om die reden toetst de rechtbank zowel de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep aan artikel 12 OLW.
Vast staat dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen (in eerste aanleg en in hoger beroep) die tot de beslissingen hebben geleid. Daarnaast is niet gebleken dat sprake is van een van de situaties zoals omschreven in artikel 12 OLW, sub a t/m d. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarmee van toepassing. De rechtbank ziet om de hiernavolgende redenen echter aanleiding om af te zien van weigering op grond van dit artikel.
Uit het EAB blijkt dat opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hemzelf gemachtigd advocaat. Deze advocaat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Uit de aanvullende informatie van 3 augustus 2023 blijkt dat aan de opgeëiste persoon op 7 september 2015 (op welke datum de opgeëiste persoon als verdachte in de zaak gehoord werd) een zogeheten adresinstructie is gegeven. In het kader van deze instructie is aan de opgeëiste persoon duidelijk gemaakt dat hij iedere adreswijziging aan de autoriteiten door moest geven. Ook is hem duidelijk gemaakt dat wanneer hij niet aan deze instructie zou voldoen, hij bij verstek zou kunnen worden berecht (hetgeen ook zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is gebeurd). Oproepingen voor beide procedures zijn naar het door de opgeëiste persoon in het kader van de strafrechtelijke procedure opgegeven adres verzonden. Beide keren is de oproep niet door de opgeëiste persoon zelf, maar door een volwassen huisgenoot in ontvangst genomen.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de adresinstructie zag op zowel de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep. Bovendien is in de aanvullende informatie nog aangegeven dat de advocaat van de opgeëiste persoon tijdens de procedure in hoger beroep aangaf dat de opgeëiste persoon wist van de datum van de zitting en ermee instemde dat de zitting doorging zonder zijn aanwezigheid. De omstandigheden zoals hierboven beschreven leveren daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces en moest er onder de gegeven omstandigheden rekening mee houden dat hij zou worden opgeroepen voor een zitting in zowel eerste aanleg als in hoger beroep op het eerder door hem opgegeven adres. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon van – onder meer – de mededeling uit Polen dat oproepingen naar zijn Poolse adres zijn verstuurd, is niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet uitgegaan worden van de mededelingen van de Poolse autoriteiten.
Het verweer slaagt niet.
5Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en dat hij zijn straf in Nederland mag uitzitten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan doormr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628.