Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-23
ECLI:NL:RBAMS:2023:5450
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,779 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13-119769-23 (A), 13-086210-23 (B) en 23-002151-21 (TUL) (t.t.z. gvoegd)
Datum uitspraak: 23 augustus 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 augustus 2023.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de voet van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.S. Selier en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.F. Wijngaarden naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A: mishandeling van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op 9 mei 2023 te Amsterdam;
Zaak B: diefstal van twee blikjes bier van de Spar (filiaal [locatie] ) op 28 maart 2023 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat de mishandeling (zaak A) bewezen kan worden op grond van de aangiftes, de foto’s van het letsel en de bekennende verklaring van verdachte.
Ook de winkeldiefstal (zaak B) kan bewezen worden op grond van de aangifte, de camerabeelden en de herkenning van de verdachte op die beelden.
3.3
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de mishandeling (zaak A) is geen bewijsverweer gevoerd.
De raadsman heeft ten aanzien van de winkeldiefstal (zaak B) aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. Alleen aangever stelt dat sprake is van een diefstal, maar één verklaring is onvoldoende. De camerabeelden kunnen niet als steunbewijs dienen, omdat niet is te zien of de persoon die als verdachte wordt aangemerkt niet al bij binnenkomst iets in zijn handen heeft en niet is te zien dat hij in de winkel blikjes bier uit de schappen pakt. Verder heeft de als verdachte aangemerkte persoon de winkel niet verlaten als hij wordt aangehouden. Tussen hem en de uitgang staan nog een aantal schappen met goederen, die ook gekocht kunnen worden. Hij had de blikjes bier in zijn hand; ze waren niet weggestopt in zijn kleding of een tas. Van een handeling die erop wijst dat hij als heer en meester over de blikjes bier is gaan beschikken, is geen sprake. Voor zover de handeling als een diefstal zou kunnen worden gezien, is die niet voltooid en in het pogingstadium blijven steken.
3.3
Beoordeling
3.3.1
Zaak A – mishandeling op 9 mei 2023
Op grond van de aangiftes van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de bekennende verklaring van verdachte vindt de rechtbank bewezen dat verdachte de aangevers heeft mishandeld, zoals hierna wordt beschreven in rubriek 4. Nu verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, wordt op grond van artikel 359, derde lid, Sv in bijlage II volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.3.2
Zaak B – winkeldiefstal op 28 maart 2023
De rechtbank vindt dat de winkeldiefstal (zaak B) bewezen kan worden op grond van het volgende. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij te zien is op de screenshot op pagina 32 van het dossier (still 5). Op grond van die verklaring gaat de rechtbank ervan uit dat de persoon die als verdachte wordt aangemerkt ook daadwerkelijk de verdachte is. Uit de aangifte volgt dat verdachte langs het zogenoemde bierpad loopt en twee biertjes, naar later blijkt twee blikken Gulpener bier, pakt. Uit de aangifte en het proces-verbaal van de camerabeelden blijkt verder dat verdachte met die twee blikjes bier in zijn handen, zonder af te rekenen, voorbij de zelfscankassa’s loopt en zich direct naar de uitgang begeeft. Als verdachte wordt tegengehouden, verzet hij zich en probeert hij zich (met kracht) richting de uitgang van de winkel te bewegen. Vervolgens wordt verdachte door aangever naar de grond gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zo te handelen als heer en meester over de blikjes bier beschikt en deze aan de heerschappij van de rechthebbende (de Spar) onttrokken. Daarmee is sprake van een voltooide diefstal. Het verweer van de raadsman dat verdachte mogelijk nog andere goederen bij de kassa wilde kopen wordt verworpen, nu verdachte de zelfscankassa’s al voorbij was gelopen en uit zijn gedragingen – met name het verzet en het zich richting de uitgang bewegen – niet blijkt dat verdachte de blikjes bier wilde afrekenen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A:op 9 mei 2023 te Amsterdam, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door
- voornoemde [benadeelde partij 1] met kracht in het gezicht te slaan en
- voornoemde [benadeelde partij 2] met kracht in het gezicht te slaan.
Zaak B:op 28 maart 2023 te Amsterdam, twee blikjes drank (bier), die aan winkelbedrijf Spar (filiaal [locatie] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering van de officier van justitie wordt afgewezen. In zijn subsidiaire standpunt heeft de raadsman voorgesteld de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Verdachte heeft aangegeven dat hij niet lang in de gevangenis wil blijven vastzitten, dat het goed voor hem is om ‘naar buiten’ te gaan en dat hij waarschijnlijk terecht zou kunnen bij het Leger des Heils in [plaatsnaam] .
7.3
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In zaak A heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door twee willekeurige reizigers in de metro te slaan. Hierdoor hebben beide slachtoffers pijn en letsel opgelopen en is er inbreuk gemaakt op hun persoonlijke integriteit. Gezien het openlijke karakter van de gepleegde strafbare feiten heeft het bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg gebracht. In zaak B heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal bij de Spar. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat naast schade veel hinder veroorzaakt voor de gedupeerde bedrijven. In het algemeen wekt diefstal gevoelens op van onrust en onveiligheid bij de benadeelden.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Inforsa van 12 juli 2023, opgemaakt door [medewerker 1] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Betrokkene komt sinds 2018 in aanraking met justitie, voornamelijk wegens gewelds- en vermogensdelicten. Zijn delictgedrag is direct gerelateerd aan zijn psychische- en verslavingsproblematiek en zijn onstabiele leefsituatie. Hij is dakloos, beschikt niet over een inkomen en heeft geen zinvolle dagbesteding. Er lijkt sprake te zijn van een ernstige psychiatrische problematiek. Betrokkene kan onvoorspelbaar en agressief gedrag vertonen. Eveneens is sprake van alcoholproblematiek. Eerdere trajecten komen niet van de grond: hij komt zijn afspraken niet na en stond eerder niet open voor hulp. Hij komt kwetsbaar over en er lijkt een hoge mate van onmacht. Diagnostiek en intensieve en langdurige behandeling wordt geïndiceerd. Binnen een vrijwillig- en een drangkader lukt het niet om betrokkene hier naar toe te leiden en te stabiliseren. Reclassering Inforsa adviseert om aan betrokkene de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren onvoorwaardelijk op te leggen. In dat kader worden de volgende interventies geadviseerd: in de intramurale fase dient ten behoeve van de trajectbepaling psychologisch, psychiatrisch en IQ-onderzoek te worden gedaan. Met een volledig diagnostisch beeld kan de meest passende zorgmatch worden gemaakt, waar hij in de extramurale fase naartoe kan worden geleid. Ook wordt geadviseerd om tijdens de ISD-maatregel toe te werken naar een vorm van wonen/verblijf waarbij begeleiding geboden kan worden.
Ter zitting heeft de rechtbank reclasseringsmedewerkster [medewerker 2] , verbonden aan Reclassering Inforsa, als deskundige gehoord. Zij heeft bevestigd wat in voornoemd reclasseringsrapport staat vermeld en ter zitting is besproken.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 4 juli 2023 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de periode ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad van 4 juli 2023 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
De raadsman heeft in zijn subsidiaire standpunt betoogd om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen, maar het alternatief dat de verdediging heeft aangedragen, bestaande in de stelling dat verdachte bij het Leger des Heils in [plaatsnaam] terecht kan, is niet nader geconcretiseerd. Nu eerdere (ambulante) trajecten niet van de grond zijn gekomen en gelet op de vele kansen die verdachte al heeft gehad om zich aan bijzondere voorwaarden te houden, ziet de rechtbank ook geen heil in het voorwaardelijk opleggen van de ISD-maatregel.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
8Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (zaak A) vordert € 96,62 aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht om het immateriële deel van de schade de matigen en naar billijkheid vast te stellen op € 100,-.
De rechtbank overweegt over de vordering als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De materiële schade is niet betwist door de verdediging en voldoende onderbouwd. Deze schade zal dan ook geheel worden toegewezen voor het bedrag van € 96,62.
Verder bedraagt de vordering € 500,- aan geleden immateriële schade. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 200,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering zal in totaal worden toegewezen voor het bedrag van € 296,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak A bewezen geachte feit is toegebracht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
mishandeling, meermalen gepleegd
.
Ten aanzien van zaak B:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 96,62 (zesennegentig euro en tweeënzestig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 mei 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 296,62 (tweehonderdzesennegentig euro en tweeënzestig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 mei 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 23-002151-21.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en N.T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 augustus 2023.
De oudste rechter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.
[(...)]
[(...)]