Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-22
ECLI:NL:RBAMS:2023:5419
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,616 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/070381-23
Datum uitspraak: 22 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 31 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 mei 2022 door the Circuit Court of Law in Swidnica (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
verblijfadres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 juli 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing ervan.
De rechtbank heeft op 27 juli 2023 een tussenuitspraak gewezen waarin het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen ter beantwoording voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 8 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 27 juli 2023
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 27 juli 2023. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Verzamelvonnis van 9 maart 2017 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 753/16) en arrest van 7 juli 2017 van the Circuit Court of Law in Swidnica (IV Ka 359/17)
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak al geoordeeld dat alleen de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Ook heeft de rechtbank in meergenoemde tussenuitspraak de vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit of de opgeëiste persoon zijn toegewezen ex officio advocaat ook had gemachtigd en deze advocaat ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd tijdens het proces in hoger beroep. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 1 augustus 2023 hierop gereageerd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat niet kan worden afgezien van weigering, omdat uit het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet blijkt of de opgeëiste persoon zijn raadsman had gemachtigd en ook niet of hij ook daadwerkelijk de verdediging in hoger beroep heeft gevoerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB, de aanvullende informatie van 29 juni 2023, 5 juli 2023, 1 augustus 2023 en de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting op 8 augustus 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zelf om een ex officio advocaat heeft verzocht en deze ook toegewezen heeft gekregen, dat het hoger beroep op verzoek van de opgeëiste persoon door deze ex officio advocaat was ingesteld, dat hij gedurende het proces in hoger beroep contact heeft gehouden met zijn advocaat en dat de advocaat op de zitting in hoger beroep de verdediging heeft gevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij een gemachtigd advocaat had die hem tijdens het proces heeft verdedigd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
Vonnis van 5 oktober 2016 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 441/16)
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de vraag gesteld of de opgeëiste persoon voorafgaand aan zijn eerste verhoor werd gewezen op zijn verplichtingen als een verdachte in een strafprocedure (of op enig later moment voorafgaand aan de betekening van de
oproeping) en hem een zogenoemde adresinstructie is gegeven (artikel 139 van het Poolse Wetboek van Strafvordering). De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft deze vraag op 1 augustus 2023 bevestigend geantwoord.
De raadsman en officier van justitie hebben zich beide op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is maar dat van weigering kan worden afgezien omdat de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft gekregen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 augustus 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon in het vooronderzoek een adres heeft opgegeven. Hij is voorafgaand aan zijn eerste verhoor gewezen op zijn rechten en verplichtingen in de strafrechtelijke procedure, waaronder de verplichting om iedere adreswijziging door te geven. Hij is daarbij ook gewezen op de gevolgen indien hij dit niet zou doen, hetgeen betekent dat hij ermee bekend isdat de betekening van de dagvaarding aan het laatst bekende adres rechtsgeldig is en dat de procedure in zijn afwezigheid wordt gevoerd. De oproep voor het proces is naar het opgegeven adres gestuurd.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Law in Swidnica (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Inleiding
De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Verzamelvonnis van 27 september 2016 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 317/16) en arrest van 16 december 2016 van the Circuit Court of Law in Swidnica (IV Ka 790/16)
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak al geoordeeld dat alleen de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Ook heeft de rechtbank in de tussenuitspraak de vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit of de opgeëiste persoon zijn toegewezen ex officio advocaat had gemachtigd en deze advocaat ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd tijdens het proces in hoger beroep. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 1 augustus 2023 hierop gereageerd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat niet kan worden afgezien van weigering, omdat uit het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet blijkt of de opgeëiste persoon zijn raadsman had gemachtigd en of hij ook daadwerkelijk de verdediging in hoger beroep heeft gevoerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB, de aanvullende informatie van 29 juni 2023, 5 juli 2023, 1 augustus 2023 en de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting op 8 augustus 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zelf om een ex officio advocaat heeft verzocht en deze ook toegewezen heeft gekregen, dat het hoger beroep op verzoek van de opgeëiste persoon door deze ex officio advocaat was ingesteld, dat hij gedurende het proces in hoger beroep contact heeft gehouden met zijn advocaat en dat de advocaat op de zitting in hoger beroep de verdediging heeft gevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij een gemachtigd advocaat had die hem tijdens het proces heeft verdedigd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
Vonnis van 18 juni 2015 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 1142/14) en arrest van 17 november 2015 van the Circuit Court of Law in Swidnica (IV Ka 729/15)
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak al geoordeeld dat alleen de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Ook heeft de rechtbank in de tussenuitspraak de vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit of de opgeëiste persoon zijn toegewezen ex officio advocaat ook had gemachtigd en deze advocaat ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd tijdens het proces in hoger beroep. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 1 augustus 2023 hierop gereageerd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat niet kan worden afgezien van weigering, omdat uit het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet blijkt of de opgeëiste persoon zijn raadsman had gemachtigd en of hij ook daadwerkelijk de verdediging in hoger beroep heeft gevoerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB, de aanvullende informatie van 29 juni 2023, 5 juli 2023, 1 augustus 2023 en de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting op 8 augustus 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zelf om een ex officio advocaat heeft verzocht en deze ook toegewezen heeft gekregen, dat het hoger beroep op verzoek van de opgeëiste persoon door deze ex officio advocaat was ingesteld, dat hij gedurende het proces in hoger beroep contact heeft gehouden met zijn advocaat en dat de advocaat op de zitting in hoger beroep de verdediging heeft gevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij een gemachtigd advocaat had die hem tijdens het proces heeft verdedigd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
Vonnis van 29 juni 2016 van the District Court of Law in Walbrzych (III K 107/16)
De rechtbank stelt op grond van de informatie in het EAB vast dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting die heeft geleid tot dit vonnis. Verder is niet gebleken dat hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing op dit vonnis.