Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-14
ECLI:NL:RBAMS:2023:5375
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
2,318 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/088145-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 14 juni 2023
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 6 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 december 2020 door the Regional Court in Tarnów (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
gedetineerd in de [PI]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgment of the District Court in Tarnów dated: 25th May 2016 amended by a judgement of the Regional Court in Tarnów dated 12th April 2019. This judgment has been enforceable since 12th April 2019. Reference II K 832/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW; heropening onderzoek
Standpunt raadsman
De raadsman merkt op dat opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep.
Standpunt officier van justitie
De opgeëiste persoon is zowel tijdens de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep niet verschenen, maar is in beide instanties vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is gelet hierop niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Volgens de informatie van het EAB onder d) is de opgeëiste persoon niet verschenen op de zitting in eerste aanleg die tot het vonnis heeft geleid. Wel is hij ter zitting verdedigd door een door hem gemachtigde raadsman. Bovendien is het vonnis van 26 mei 2016 in de detentie-instelling waar hij op dat moment verbleef op 3 juni 2016 aan hem uitgereikt. Daarbij is de opgeëiste persoon gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep.
In de procedure in hoger beroep is de opgeëiste persoon niet verschenen, maar een door hem appointed legal counsel is verschenen in de procedure in hoger beroep.
- In het EAB onder f) staat vermeld dat bij beslissing van the Appellate Court van
13 oktober 2016 het vonnis in eerste aanleg is bevestigd. Daarna heeft een cassatieprocedure plaatsgevonden bij het Supreme Court, waarin de beslissing in hoger beroep ongedaan is gemaakt. De zaak is terugverwezen naar The Regional Court in Tarnów for re-examination. In deze procedure werd acht geslagen op de recidive van de opgeëiste persoon. Op grond daarvan is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in plaats van een geldboete is opgelegd. De opgeëiste persoon is opgeroepen voor de re-trial en is in a proper way opgeroepen, maar is niet ter zitting verschenen. Hij is op deze zitting vertegenwoordigd door a legal counsel appointend by him.
Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van de OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.1
Uit voormelde informatie leidt de rechtbank af dat in hoger beroep voor het laatst (en onherroepelijk) is geoordeeld over de schuldvraag en dat bij de genoemde re-trial procedure na terug verwijzing in cassatie is voor het laatst (en onherroepelijk) is geoordeeld over de straf zodat deze beide procedures (hoger beroep en re-trial proces na cassatie) onder het bereik van artikel 12 OLW vallen en moet worden getoetst of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich ten aanzien van deze procedures voordoet.
Op grond van de hiervoor genoemde informatie uit het dossier beschikt de rechtbank echter over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen of zich een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12 OLW zich heeft voorgedaan en in het bijzonder of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen re-trial na terugverwijzing na cassatie en daarbij door een door hem gemachtigd raadsman ter zitting is verdedigd.
Bovendien beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen of de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van het strafproces in hoger beroep en, hij al dan niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces of dat hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Hiertoe dienen de volgende vragen te worden beantwoord door de Poolse autoriteiten:
- Op welke datum heeft de re-trial procedure na verwijzing na cassatie plaatsgevonden?
- Is opgeëiste persoon ter zitting in hoger beroep en bij de re-trial procedure
verschenen?
Zo nee
- Is de opgeëiste persoon in persoon gedagvaard voor de zitting in hoger beroep en gedagvaard voor de re-trial procedure en ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt?
Zo nee
- Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het voorgenomen proces in hoger beroep en de re-trial procedure en had hij een gemachtigd raadsman tijdens deze procedures
die hem heeft verdedigd?
- Is de oproeping voor het proces in hoger beroep en het re-trial proces verzonden aan
een door de opgeëiste persoon opgegeven adres?
- Heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gehad en wanneer en is hij daarbij op de hoogte gesteld van de consequenties als hij daar niet aan zou voldoen, gold die adresinstructie uitdrukkelijk ook voor het hoger beroep en daarop volgende procedures en is dat ook aan de opgeëiste persoon medegedeeld?
- Heeft de opgeëiste persoon zelf hoger beroep laten instellen?
Dictum
SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4. geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALT dat de zaak vóór 4 juli 2023 op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J. G. Vegter, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.