Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-02-09
ECLI:NL:RBAMS:2023:533
Strafrecht; Europees strafrecht
Op tegenspraak
1,785 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/311262-22 (EAB II)
RK nummer: 22/4988
Datum uitspraak: 9 februari 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 december 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 mei 2022 door the Office of the Prosecutor of the Republic of Bologna (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te Albanië op [geboortedag 1] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
van Tunesische nationaliteit,
alias
[alias van de opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats 1] (Marokko) op [geboortedag 2] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
van Marokkaanse nationaliteit,
in een andere zaak (EAB I) gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 januari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda, en door een tolk in de Arabische taal.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verzochte overlevering toelaatbaar is.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is:
[opgeëiste persoon]
,
geboren te [geboorteplaats 2] (Tunesië) op [geboortedag 1] 1995,
van Tunesische nationaliteit.
De rechtbank stelt vast dat onder a) in het EAB ook deze alias wordt genoemd. De rechtbank stelt daarom vast dat de voor haar verschenen persoon de persoon is van wie de Italiaanse autoriteiten de overlevering verzoeken, ook al staat hij in Nederland bekend onder de naam [alias van de opgeëiste persoon] .
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the Court of Bologna van
4 februari 2017.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden en twintig dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5Detentieomstandigheden in Italië
Voor een aantal Italiaanse penitentiaire inrichtingen heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) aangenomen (rechtbank Amsterdam 24 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10053).
De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van 30 maart 2021 (rechtbank Amsterdam 30 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1804), waarin als volgt is overwogen:
De rechtbank is verder van oordeel dat het inmiddels voldoende vaststaat dat de brieven van 2 en 4 maart 2020 inhoudende een algemene detentiegarantie in elke overleveringszaak geldig zijn, zoals de Italiaanse autoriteiten in bedoelde brieven hebben bevestigd. De rechtbank acht het niet langer noodzakelijk dat voor elke individuele opgeëiste persoon een bevestiging wordt gevraagd bij de Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de algemene detentiegarantie ook geldt ten aanzien van de opgeëiste persoon, zodat voor hem geen sprake is van een reëel gevaar van schending van het door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrecht.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [alias van de opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor of the Republic of Bologna (Italië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.