Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-28
ECLI:NL:RBAMS:2023:5278
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
5,751 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031654-23 (was 13/751711-15)
Datum uitspraak: 28 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2012 door the Regional Court in Elbląg II Criminal Division (Polen) strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988
verblijfadres: [adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 30 oktober 2015
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 oktober 2015, in aanwezigheid van mr. R. Vorrink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K.K. Hansen-Löve, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tussenuitspraak van 13 november 2015
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de opgeëiste persoon in de periode van 2010 tot en met 2015 ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Het onderzoek is vervolgens heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het oordeel van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) over het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon te laten INwinnen,
Wanneer dit oordeel positief zou zijn, heeft de rechtbank overwogen dat de zaak vervolgens ook aangehouden moet worden om de beantwoording van de in een andere zaak gestelde prejudiciële vragen af te wachten. De rechtbank begrijpt dat het om zogenaamde “Poplawski-vragen” ging.
Zitting 14 juni 2023
De behandeling van het EAB is met toestemming van opgeëiste persoon en de officier van justitie hervat in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K.K. Hansen-Löve en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van:
een vonnis van the District Court in Elbląg van 16 juli 2009 (X K 291/09)
een vonnis van the District Court in Elbląg van 30 januari 2008 (X K 1496/07)
een vonnis van the District Court in Elbląg van 29 november 2006 (II K 995/06)
een vonnis van the District Court in Elbląg van 31 januari 2008 (X K 1425/07)
Bij deze vonnissen zijn aan de opgeëiste persoon vrijheidsstraffen opgelegd voor de duur van, respectievelijk:
een jaar en zes maanden;
een jaar en drie maanden;
een jaar en
een jaar en twee maanden.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon ‘in persoon’ is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in de zaak van vonnis 1. X K 291/09 (vonnis 1) heeft geleid. Artikel 12 OLW is op die uitspraak niet van toepassing.
De vonnissen 2, 3 en 4 behoeven wel bespreking voor wat betreft de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, aangezien de opgeëiste persoon niet is verschenen op de zittingen die tot die vonnissen hebben geleid.
De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van die vonnissen.
Vonnis 2. (X K 1496/07)
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar verzoekt de rechtbank af te zien van de bevoegdheid tot weigering van de overlevering aangezien de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is opgeroepen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de informatie van het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van beide vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de zitting die tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Dit betekent dat de overlevering kan worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om daarvan af te zien. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 26 mei 2023 van de Poolse autoriteiten blijkt dat aan de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek op 5 december 2007 een adresinstructie is gegeven. Die instructie hield in dat hij iedere adreswijziging moest doorgeven aan de Poolse autoriteiten. Daarbij is hij ook gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan die instructie. Ten slotte blijkt dat de opgeëiste persoon is opgeroepen op het door hem op 5 december 2007 opgegeven adres.
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat, terwijl de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces, hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces dan wel dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Vonnis 3 (II K 995/06)
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat het gewezen vonnis samen met een appelinstructie in persoon is uitgereikt aan de opgeëiste persoon
Oordeel van de rechtbank
In het op 6 oktober 2015 door de Poolse autoriteiten verstrekte d) formulier is onder meer het volgende vermeld:
“The proceeding resulted with a verdict, a copy of the verdict was delivered to [opgeëiste persoon]
own hands on 14.12.2006, he was instructed on the right to lodge a remedy. [opgeëiste persoon] did not file an appeal against the decision.”
De rechtbank stelt op grond van de bovenstaande informatie vast dat zich de situatie als bedoeld in artikel 12 onder c OLW zich voordoet. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
Vonnis 2 (X K 1496/07)
feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen
goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Vonnis 3. (II K 995/06)
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven
verbod;
Vonnis 4. (X K 1425/07)
feit 4 a: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 4 b: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
In de tussenuitspraak van 13 november 2015 is door de rechtbank vastgesteld dat de opgeëiste persoon in de periode van 2010 tot en met 2015 rechtmatig ononderbroken in Nederland had verbleven. Uit de brief van de IND van 24 november 2015, en van dus kort na de genoemde tussenuitspraak, blijkt dat niet de verwachting bestaat dat op grond van de Poolse veroordelingen verblijfsbeëindiging van de opgeëiste persoon aan de orde is.
De opgeëiste persoon kan dan ook vanaf die datum worden gelijk gesteld met een Nederlander.
De vraag die nu voorligt is of de opgeïste persoon nadien zijn verblijfsrecht heeft verloren. Daarbij is van belang dat de opgeëiste persoon tot op heden niet ingeschreven heeft gestaan in het Nederlandse BRP-register.
Standpunt raadsvrouw
De opgeëiste persoon heeft zijn in 2015 vastgestelde duurzame verblijf over de afgelopen 5 jaar niet verloren doordat hij niet ingeschreven heeft gestaan.
Uit de overgelegde jaaropgaven van 2017 tot en met 2022 blijkt dat hij in die periode in Nederland inkomen heeft vergaard en hier ook daadwerkelijk heeft verbleven. Bovendien moet hij wel in Nederland zijn geweest omdat hij volgens informatie van de officier van justitie zich in het kader van de toen geldende schorsingsvoorwaarden van 2015 tot en met 2020 maandelijks heeft gemeld bij het politiebureau.
Standpunt officier van justitie
Alhoewel de opgeëiste persoon in 2015 kon worden gelijksgesteld met een Nederlander, kan dat volgens de officier van justitie op dit moment, anno 2023, niet meer. De opgeeiste persoon kan immers niet aantonen dat hij de afgelopen periode niet langer dan 2 jaar uit Nederland weg is geweest.
Ook tussen 2015 en heden heeft de opgeeiste persoon nooit ingeschreven gestaan op een Nederlands adres. Bovendien is zijn inkomen de afgelopen 5 jaar niet zodanig hoog geweest dat kan worden uitgesloten dat hij in het buitenland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in november 2015 gelijkgesteld kon worden met een Nederlander in de zin van artikel 6 OLW.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de opgeëiste persoon zijn destijds opgebouwde duurzame verblijfsrecht, inmiddels heeft verloren.
Dat kan bijvoorbeeld wanneer vast komt te staan dat hij de afgelopen jaren langer dan twee jaar niet in Nederland heeft gewoond. De rechtbank stelt vast dat hier geen sprake van is.
De opgeëiste persoon heeft weliswaar niet ingeschreven gestaan in het BRP-register, maar volgens informatie van de officier van justitie heeft hij zich in het kader van de schorsingsvoorwaarden wel van 30 oktober 2015 tot 7 februari 2020 maandelijks gemeld bij het politiebureau.
Daarbij komt dat de raadsvrouw jaaropgaven over de jaren 2017 tot en met 2022 heeft overgelegd waaruit volgt dat het inkomen van de opgeëiste persoon ruimschoots voldoet aan de norm. Gelet op de hoogte van het inkomen is het moeilijk voorstelbaar dat hij dit inkomen in Nederland heeft verdiend, terwijl hij niet in Nederland heeft verbleven. Daarnaast staan op de overgelegde jaaropgaven Nederlandse adressen van de opgeëiste persoon vermeld. Ten slotte blijkt dat de opgeëiste persoon op 1 mei 2021 een huurovereenkomst voor de duur van 2 jaar heeft afgesloten voor een woning aan de [adres] , waar hij volgens opgave van de opgeëiste persoon ter zitting nog steeds woont.
Op grond van het voorgaande, een en ander in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn in november 2015 vastgestelde gelijkstelling met een Nederlander niet heeft verloren en dat de gelijkstelling nog van kracht is.
6Verjaring van de tenuitvoerlegging van vonnis 3. II K 995/06.
Standpunt raadsvrouw
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat Nederland rechtsmacht heeft nu de opgeëiste persoon gelijk is gesteld met een Nederlander. Naar Nederlandse recht is de tenuitvoerlegging van het op 6 december 2007 definitief geworden vonnis van the District Court in Elbląg (II K 995/06) verjaard. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank niet af te zien van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW omdat de voorkeur van de opgeëiste persoon ernaar uitgaat de in dit vonnis opgelegde straf niet te ondergaan.
Standpunt officier van justitie
De tenuitvoerlegging van het Poolse vonnis is naar Nederlands recht verjaard. De rechtbank kan echter afzien van deze weigeringsgrond omdat het in het belang is van de opgeëiste persoon dat hij alle aan hem in Polen opgelegde straffen in één keer uitzit.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW luidt:
Overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging, of, zo de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben.
Artikel 6:1:22 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
1. Na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn wordt de straf of maatregel niet ten uitvoer gelegd.
2. De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.
Artikel 6:1:23, eerste lid, Sv luidt:
1. De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking ten uitvoer kan worden gelegd.
Artikel 70, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
1°. in drie jaren voor alle overtredingen;
2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
De rechtbank stelt vast dat gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander er toe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van het feit waarvoor de opgeëiste persoon in dit vonnis in Polen is veroordeeld.
De rechtbank heeft onder punt 5. vastgesteld dat de opgeëiste persoon in Polen met betrekking tot vonnis 3.
Conclusie
Vonnis 3 (II K 995/06)
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is en dat, overeenkomstig artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS, de verjaring in de weg kan staan aan overname van de tenuitvoerlegging van de straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om van toepassing van die regelingen af te zien. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
Vonnissen 1. X K 291/09 en 2. X K 1496/07 en 4. X K 1425/07
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing.
De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te zien. Om die reden wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de straf.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310, 311, 350 Wetboek van Strafrecht, 2, 10 Opiumwet, 2,5, 6a, 7 en 9 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Elbląg II Criminal Division (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland ten aanzien van de volgende vonnissen:
1. X K 291/09
2. X K 1496/07
4. X K 1425/07
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. R. Godthelp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Feiten
(II K 995/06) is veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en gaat daarom ook bij haar verdere beoordeling hieronder daarvan uit.
Op dit feit staat naar Nederlands recht op grond van artikel 70 Sr een verjaringstermijn van 12 jaar. Op grond van artikel 6.1.22, tweede lid, Sv, moet daar een derde, dus 4 jaar, bij worden opgeteld. Dit betekent dat de tenuitvoerleggingstermijn 16 jaar is.
De opgeëiste persoon is bij vonnis van 29 november 2006 van the Regional Court in Lublin veroordeeld en dit vonnis is op 6 december 2006 definitief geworden. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de tenuitvoerleggingstermijn met ingang van
6 december 2022 is verstreken. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve grond.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van de voornoemde weigeringsgrond. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Het feit is gepleegd op 8 oktober 2006. Het vonnis dateert van 29 november 2006 en op 10 februari 2012 is een EAB uitgevaardigd. Dit betekent dat pas bijna 6 jaar na het plegen van het feit een EAB is uitgevaardigd. Verder hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat de opgeëiste persoon sinds 2010 (zie de gelijkstellingsoverwegingen) in Nederland zijn leven heeft opgebouwd, hij hier geen strafblad heeft en dat hij er zelf nadrukkelijk niet de voorkeur aangeeft om de in het vonnis opgelegde staf in één keer met de andere straffen uit te zitten.
De rechtbank zal de overlevering ten aanzien van dit vonnis dan ook weigeren zonder overname van straf die is opgelegd bij vonnis 3 (II K 995/06).
7Overname van de in Polen opgelegde gevangenisstraffen
De rechtbank heeft onder 6. van deze uitspraak de opgeëiste persoon gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen bij de overige vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen. De straffen zijn opgelegd in de volgende vonnissen:
1. X K 291/09
2. X K 1496/07
4. X K 1425/07.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan voor de vonnissen 1, 2 en 4 niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5. weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW bestaat daarom geen aanleiding.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel
27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.