Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-09
ECLI:NL:RBAMS:2023:5122
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,443 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/123048-23
Datum uitspraak: 9 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 17 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2023 door the Regional Court in Bydgoszcz III Penal
Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en
overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 28 juni 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juni 2023, in
aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tussenuitspraak 12 juli 2023
In de tussenuitspraak van 12 juli 2023 (nog niet gepubliceerd) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie op te vragen over de waarborging van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon met betrekking tot de onderliggende vonnissen a) en e), en bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een terugkeergarantie op te vragen.
Zitting 26 juli 2023
De behandeling van de vordering is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 26 juli 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
een aanhoudingsbevel van the Local Court in Bydgoszcz van 20 januari 2023 (referentie: IV Kp 608/22) in de zaak met kenmerk PR 1 Ds. 885/08;
een verzamelvonnis van the Local Court in Bydgoszcz van 21 april 2008 (referentie: III K 104/08).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege:
het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten, en
ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Het gaat om een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 8 maanden en 4 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Het aanhoudingsbevel en het verzamelvonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Uit het EAB en aanvullende informatie blijkt dat aan het verzamelvonnis de volgende onherroepelijke vonnissen ten grondslag liggen:
a. vonnis van the Local Court in Bydgoszcz van 17 augustus 2004 (III K 1165/03), in
stand gebleven bij arrest van the Regional Court in Bydgoszcz IV Criminal Appeals
Division van 16 december 2004 (IV Ka 1167/04);
vonnis van the Local Court in Bydgoszcz van 14 september 2004 (IV K 290/04);
vonnis van the Local Court in Wejherowo van 3 juli 2006 (IX K 118/05);
vonnis van the Local Court in Bydgoszcz van 19 oktober 2006 (Xl K 92/06);
vonnis van the Local Court in Bydgoszcz van 4 december 2006 (III K 509/05) aangepast bij arrest van the Regional Court in Bydgoszcz van 10 mei 2007 (IV Ka 328/07).
In de tussenuitspraak van 12 juli 2023 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is op de processen die hebben geleidt tot het verzamelvonnis van 21 april 2018 en de onderliggende vonnissen b, c en d. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van vonnis a) op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat daarvan niet moet worden afgezien, omdat de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Door verblijf in detentie was hij niet op de hoogte van de adresinstructie en hij werd pas in kennis gesteld van het vonnis toen dit al onherroepelijk was. Ten aanzien van vonnis e) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis a) op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat van weigering moet worden afgezien, omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geschonden. De oproep is immers verzonden naar een door hem opgegeven adres en hij heeft de instructie ontvangen om adreswijzigingen aan de autoriteiten door te geven.
Ten aanzien van vonnis e) heeft de officier van justitie primair aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 12 onder b OLW. Immers is in hoger beroep definitief over schuld en straf geoordeeld en is de opgeëiste persoon in die procedure vertegenwoordigd door een door de Staat toegewezen advocaat. Subsidiair stelt de officier van justitie dat van weigering moet worden afgezien, omdat de oproep is verzonden naar een door de opgeëiste persoon opgegeven adres en hij de instructie heeft ontvangen om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven.
Beoordeling
Ten aanzien van onderliggend vonnis a)
Op basis van de aanvullende informatie van 18 juli 2023 overweegt de rechtbank dat in de procedure in hoger beroep bij de the Regional Court in Bydgoszcz (IV Ka 1167/04) definitief in feite en in rechte over de schuld en straf van de opgeëiste persoon is geoordeeld en dat daarom deze beslissing onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat het vonnis - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat de overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de aanvullende informatie van 18 juli 2023 blijkt dat de oproep voor de zitting is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Er is niet gebleken dat hij de oproep op dit adres ontvangst heeft genomen. De opgeëiste persoon was echter zowel voor het proces in eerste aanleg als voor het hoger beroep geïnformeerd over de verplichting om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgeëiste persoon, gelet op voornoemde omstandigheden, op zijn minst genomen kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie over de strafrechtelijke procedure. Dat hij de oproep niet heeft ontvangen, dan wel niet aan de verplichting tot adreswijziging heeft kunnen voldoen omdat hij in detentie verbleef, is niet aannemelijk geworden.
Ten aanzien van onderliggend vonnis e)
In de tussenuitspraak van 12 juli 2023 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de beslissing in hoger beroep (IV Ka 328/07) moet worden getoetst aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid, en dat het vonnis - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter ook ten aanzien van dit vonnis aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 18 juli 2023 blijkt dat de oproep voor deze procedure is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, dat de oproep op dit adres door zijn vader in ontvangst is genomen en dat hij kenbaar heeft gemaakt de oproep aan de opgeëiste persoon te zullen geven. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon niet meer feitelijk op dit adres verbleef en daarmee de oproep voor de zitting niet (van zijn vader) heeft ontvangen. Hij heeft immers zowel in de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep de instructie ontvangen om adreswijzigingen bij de justitiële autoriteiten te melden. Dat heeft hij niet gedaan. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door de Staat toegewezen advocaat, waarmee hij heeft samengewerkt en die hem op de zitting heeft verdedigd. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafprocedure in hoger beroep en dat hij niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad.
4Tussenuitspraak 12 juli 2023
In de tussenuitspraak van 12 juli 2023 heeft de rechtbank al geoordeeld dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan, dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander in de zin van artikel 6 en 6a OLW en dat geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces. Deze overwegingen worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Omdat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, kan de overlevering ten behoeve van de vervolging van de opgeëiste persoon worden toegestaan indien gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division, heeft op 18 juli 2023 de volgende garantie gegeven:
“The Regional Court in Bydgoszcz III Criminal Division, in case of the wanted [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] , 1977 in [geboorteplaats] , guarantees, that in case a wanted [opgeëiste persoon] is sentenced in Poland to an unconditional and irrevocable sentence of deprivation of liberty, he will be able to serve his sentence in the Netherlands (in accordance with the Council Framework Decision number 2008/909/WSiSW).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Omdat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, kan overlevering op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de in de tussenuitspraak van 12 juli 2023 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
Conclusie
Ten aanzien van het aanhoudingsbevel (IV Kp 608/22)
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Ten aanzien van het verzamelvonnis (III K 104/08)
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 207, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division (Polen), in verband met het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder e) omschreven feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division (Polen), voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd wegens de in het EAB onder e) omschreven feiten.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M.M.L.A.T. Doll en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas), punten 81-84.