Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-11
ECLI:NL:RBAMS:2023:4783
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,813 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/5445
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] uit Aalsmeer, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.P. Foppe).
Als derde-partij neemt deel: Tupla Vastgoed B.V. uit Aalsmeer, vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. J.C. van Oosten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslaghal met kantoor en het plaatsen van een erfafscheiding op de locatie [adres] in Aalsmeer.
1.1.
Met het bestreden besluit van 27 september 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
1.2.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2023 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 4] (zoon van eiseres) en [naam 1] , namens het college zijn gemachtigde en namens vergunninghouder mr. P. van Lingen als waarnemer van mr. J.C. van Oosten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres woont in de molen “ [naam 2] ” (de molen) op de locatie [adres 2] in Aalsmeer. De zoon van eiseres is molenaar en draait de molen sinds 1988. De molen is gebouwd in 1778. Door een brand zijn de wieken van de molen in 1919 verbrand. In 2001 zijn er weer wieken geplaatst en zijn de assen van de molen in originele staat hersteld. Vanaf 2001 is de molen een rijksmonument.
2.1.
Op 28 oktober 2021 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw van een opslaghal met kantoor op de locatie [adres] in Aalsmeer (het project). Het gaat om het realiseren van een bedrijfsgebouw voor de verwerking en verhandeling van agrarische producten (waaronder bloemen en planten).
2.2.
Ter plaatse van het project geldt het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (hierna: het bestemmingsplan). Het project is gelegen op gronden met de dubbelbestemmingen ‘ Waarde-Archeologie 2’ en ‘Waterstaat-Waterkering ’.
2.3.
Op 18 maart 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het uitvoeren van een werk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling’. Het college heeft besloten mee te werken aan het afwijken van de bouwregels van de geldende dubbelbestemmingen op grond van de mogelijkheden die het bestemmingsplan zelf biedt.
2.4.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft het college de motivering aangevuld met een overweging over de gebiedsaanduiding ‘ Vrijwaringszone-Molenbiotoop ’, die ter plaatse geldt. Het bestemmingsplan bepaalt in artikel 18.3.1 van de planregels:
“Op de gronden met de gebiedsaanduiding “ Vrijwaringszone -Molenbiotoop " mogen volgens de regels van de bestemming die op die gronden rust, bouwwerken worden gebouwd, mits de hoogte van die bouwwerken niet meer bedraagt dan 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. Een visualisering van deze regel is gegeven in bijlage 2 van deze planregels.”
2.5.
In artikel 18.3.2 van de planregels is bepaald dat het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 18.3.1 voor het oprichten van bouwwerken die een grotere hoogte hebben dan de lijn als bedoeld in artikel 18.3.1, in die situaties waarin geen belangrijke zichtlijnen aanwezig zijn en/of de vrije windvang reeds beperkt is, mits het zicht en/of de vrije windvang niet verder worden beperkt.
2.6.
Het college heeft - op advies van de bezwaarschriftencommissie - een aanvullend advies laten uitbrengen door [deskundige] van Vereniging [vereniging] Aan [deskundige] is gevraagd of toepassing kan worden gegeven aan bovenstaande afwijkingsmogelijkheid. [deskundige] concludeert dat de zichtlijnen op de molen niet worden geschaad en er een verwaarloosbare verslechtering van de windvang optreedt.
2.7.
Daarnaast heeft vergunninghouder een rapport overgelegd van [naam 3] waarin wordt geconcludeerd dat er met het bouwplan geen verslechtering optreedt van de zichtlijnen en de windvang.
2.8.
Met het bestreden besluit heeft het college, onder aanvulling van de motivering die is gebaseerd op bovenstaande twee deskundigenadviezen, de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning op goede gronden aan vergunninghouder heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
Tussen eiseres en het college is in geschil of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 18.3.2. van de planregels op grond waarvan het college kan afwijken van de bouwregels die gelden op de gronden met de gebiedsaanduiding ‘ vrijwaringszone-molenbiotoop ’. De overige afwijkingen van het bestemmingsplan zijn niet in geschil.
3.2.
Eiseres voert aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning de regels die gelden voor de molenbiotoop niet heeft onderkend. Eiseres heeft op de zitting uitgelegd dat als de wind vanuit het oosten komt, deze door de plaatsing van de opslaghal een soort werveling maakt waardoor de wieken een onregelmatige draai krijgen. De bovenmechanismen in de wieken gaan hard en dan weer zacht en dat zorgt voor slijtage van de tandwielen en de andere onderdelen bovenin de kap. Deskundige [deskundige] geeft aan dat er rond de molen veel bomen staan die het zicht en de windvang belemmeren. Dat erkent eiseres, maar zij wijst erop dat deze beplanting ooit klein is begonnen vanwege de afscherming van het erf en uit zijn krachten is gegroeid. Het bijhouden van de beplanting is eiseres teveel geworden. Hoewel de beplanting niet voldoet aan de regels van het bestemmingsplan, is eiseres hier nooit door het college op gewezen dan wel aangespoord om hier iets aan te doen. De beplanting kan simpelweg worden verwijderd of verlaagd. Eiseres begrijpt niet dat de beplanting nu een argument is om een hogere bebouwing dan het bestemmingsplan toelaat, toe te staan. Verder voert eiseres aan dat uit het advies van [deskundige] blijkt dat er wel een verslechtering optreedt. Over het advies van [naam 3] geeft eiseres aan dat dit op zich wel klopt, maar dat het een truc is om de omgevingsvergunning achteraf met een rapport te kunnen staven.
3.3.
De rechtbank overweegt dat de deskundigen zijn uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit. Vanaf dat moment, namelijk het moment waarop de omgevingsvergunning wordt heroverwogen, moet worden getoetst of met het bouwplan “het zicht en/of de vrije windvang niet verder worden beperkt.”
3.4.
Over de zichtlijnen, de vrije windvang en de effecten daarop van het bouwplan geeft deskundige [deskundige] aan:
“Hoewel ik dit niet met foto’s kan onderbouwen op dit moment, kan gesteld worden dat het zicht op de molen [naam 2] al voor een deel wordt weggenomen door de omliggende beplantingen. Ook in de winter is sprake van dichte onder begroeiing rondom de molen van minimaal 3 tot 4 meter hoog. Opgeteld bij het peilverschil tussen molen en bouwlocatie maakt dit dat de toevoeging van het beoogde complex de zichtlijnen op de molen niet kan schaden. Dat deel van de molen dat in de huidige situatie zichtbaar is, steekt hier na toevoeging van het kantoor en bedrijfsgebouw nog steeds bovenuit. Dit geldt vanuit alle standpunten vanaf de openbare weg waarbij de bouwlocatie tussen het zichtpunt en de molen gelegen is.
Niet gezegd kan worden dat er helemaal geen verdere verslechtering optreedt van de windvang ten gevolge van dit bestemmingsplan. Het zal alleen gaan om een verwaarloosbaar effect. Ieder element dat wordt toegevoegd binnen de molenbiotoop heeft namelijk een zekere invloed op de windvang van de molen. Als lid 18.3.2 helemaal letterlijk zou worden genomen, zou dit artikel niet hoeven te worden opgenomen in het bestemmingsplan omdat hier praktisch nooit aan voldaan kan worden. In mijn ogen mag worden verondersteld dat hier bedoeld wordt dat er geen sprake mag zijn van een significante of op de molen waarneembare beperking van de windvang.”
3.5.
Deskundige [naam 3] schrijft in zijn rapport:
“De molen is vrijwel onzichtbaar op afstanden van meer dan 100 m, en dat geldt zeker voor
de zichtbaarheid vanaf de openbare weg. De bouw van de opslaghal met kantoor heeft
daarop geen invloed. Door de huidige begroeiing aan de zuidzijde van de molen op het
perceel waarop de molen zich bevindt heeft de bouw van de opslaghal geen effect op de
windvang van de molen. Bij verwijdering van deze begroeiing aan de zuidzijde is dit effect in de orde van 0,05%, dus verwaarloosbaar.
Als de begroeiing in een straal van 100 m rond de molen geheel zou worden weggehaald
zorgt dat voor een zeer grote verbetering van de windvang. Dat kan oplopen tot tientallen
procenten. Dan is de bouw van de opslaghal wel merkbaar en heeft een marginale beperking (minder dan 0,3%) van de zeer sterk vergrote windvang tot gevolg.
Vanuit het perspectief van de molenbiotoop zijn er dus geen bezwaren om de bouwhoogte
van 7,5 meter toe te staan.”
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. De omgevingsvergunning blijft daarom in stand. De rechtbank geeft daarvoor de volgende motivering.
3.7.
Over het zicht op de molen en het effect van het bouwplan daarop zijn de geraadpleegde deskundigen eensgezind: de molen is in de huidige situatie vrijwel onzichtbaar en het zicht wordt niet verder beperkt door het bouwplan. Dit heeft te maken met de reeds aanwezige begroeiing rondom de molen. Dat de begroeiing eenvoudig kan worden verwijderd, zoals eiseres stelt, is voor de beoordeling niet relevant. Uitgangspunt is de feitelijk aanwezige situatie.
3.8.
Ook zijn beide deskundigen het erover eens dat de vrije windvang reeds wordt beperkt. Ook dit heeft te maken met de aanwezige begroeiing rondom de molen. Wat betreft het effect van het bouwplan op de windvang spreekt deskundige [deskundige] van een verwaarloosbare verslechtering terwijl deskundige [naam 3] stelt dat er helemaal geen verslechtering van de windvang optreedt. Artikel 18.3.2 van de planregels verlangt dat de vrije windvang niet verder wordt beperkt, dus er mag geen verslechtering optreden. Alhoewel deskundige [deskundige] wel enige - maar verwaarloosbare - verslechtering ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank niet zo dat zijn advies tegenstrijdig is aan dat van [naam 3] . [deskundige] maakt immers de kanttekening dat wanneer artikel 18.3.2 letterlijk zou worden genomen er nooit iets in de molenbiotoop zou kunnen worden gebouwd, omdat elk element dat binnen de molenbiotoop wordt toegevoegd volgens hem wel enig effect zal hebben. De rechtbank is het met [deskundige] eens dat artikel 18.3.2 in dat geval zinledig zou zijn. De door [deskundige] gestelde verwaarloosbare verslechtering moet - zo begrijpt de rechtbank - worden geschaard onder het effect dat sowieso optreedt door het realiseren van een bouwwerk in de molenbiotoop. Naast het advies van [deskundige] heeft het college het rapport van [naam 3] bij het bestreden besluit betrokken. De rechtbank is van oordeel dat aan dit rapport een zwaarder gewicht mag worden toegekend vanwege het uitgebreide onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. De bevindingen in dit rapport zijn gebaseerd op waarnemingen ter plaatse op 10 augustus 2022 (bij de molen en de omgeving) en - in tegenstelling tot het advies van [deskundige] - op berekeningen. Het uitgebreide rapport bevat verder foto’s en kaarten van de situatie ter plaatse en de conclusies zijn goed te volgen en zorgvuldig onderbouwd. Dat het rapport onderdeel zou zijn van een truc, dan wel onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, is door eiseres niet onderbouwd en de rechtbank evenmin gebleken. Door eiseres is ook geen contra-expertise overgelegd.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo.
De verwijzing naar 20.3.1 in het bestemmingsplan is een kennelijke verschrijving. Bedoeld is 18.3.1. Tussen partijen is dit niet in geschil.
Zie artikel 18.3.2 van de planregels.
Zie de e-mail van [deskundige] van 18 augustus 2022.
Zie het rapport van [naam 3] “De molenbiotoop van molen [naam 2] te Aalsmeer” van 12 augustus 2022, p. 2.