Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-14
ECLI:NL:RBAMS:2023:4707
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,265 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/1222
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] (Marokko), eiser
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).
Procesverloop
Met een besluit van 5 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van het besluit van 2 februari 2010 afgewezen.
Met een besluit van 27 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2023.
Eiser is niet verschenen. Verweerder is met afbericht ook niet verschenen.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1.1.
Eiser heeft in 2009 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) ingediend. Bij besluit van 2 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De beslissing is in rechte komen vast te staan.
1.2.
Op 14 oktober 2019 heeft eiser verweerder opnieuw verzocht om een WAO-uitkering. Verweerder heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 2 februari 2010. Bij het primaire besluit is het verzoek geweigerd omdat eiser bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten en of omstandigheden heeft vermeld.
1.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4
Het beroep van eiser van 10 februari 2020 tegen het bestreden besluit is bij uitspraak van 26 mei 2020 (AWB 20/1222) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet tijdig de gronden van het beroep had ingediend. Op 8 juli 2020 heeft de rechtbank alsnog gronden van eiser ontvangen, maar deze werden naar hem retour gestuurd omdat het onderzoek reeds was gesloten.
1.5.
Eiser heeft verzet aangetekend tegen deze uitspraak. Bij uitspraak van 31 januari 2023 (AWB 20/1222V) is het verzet gegrond verklaard. Reden daarvoor is dat in de adressering van de brief waarmee de rechtbank de gronden bij eiser had opgevraagd een fout was geslopen.
1.6.
De behandeling van het beroep is daarna voortgezet, de adressering is aangepast en eiser is alsnog, bij aangetekend verzonden brief van 9 februari 2023, verzocht om de gronden van het beroep. Eiser heeft vervolgens een brief van 15 februari 2023, ontvangen op 7 maart 2023, naar de rechtbank verstuurd waarvan de tekst onder meer luidt: "…zich met die besluit niet van verenigen en oneens zijn.” Hij verzoekt de rechtbank hem de gelegenheid te geven om de gronden aan te vullen en bewijsstukken naar de rechtbank te sturen.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift tenminste de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als er niet is voldaan aan deze vereisten, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van eiser van 10 februari 2020 geen gronden bevat. Na de gegrondverklaring van het verzet is eiser opnieuw de gelegenheid geboden om de gronden van het beroep in te dienen. De daaropvolgende brief van eiser van 15 februari 2023 bevat naar het oordeel van de rechtbank echter geen gronden. Eiser verzoekt daarin wel om een nadere termijn voor het indienen van gronden en bewijsstukken. De rechtbank hoefde eiser echter geen nadere termijn meer te geven; bij brief van 9 februari 2023 was eiser namelijk al verzocht om de gronden van het beroep. Ook nadien heeft de rechtbank geen gronden meer van eiser ontvangen.
Conclusie
4. Aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb is dan ook niet voldaan. Er is niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
5. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen.