Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-19
ECLI:NL:RBAMS:2023:4595
Civiel recht
Bodemzaak
4,968 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/676618 / HA ZA 19-1307
Vonnis van 19 juli 2023
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats 1] (Duitsland),
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 1] Vor der Höhe (Duitsland),
eisers,
advocaat mr. P.D. Olden te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
laatstelijk bekende woonplaats te [woonplaats 2] (Moldavië),
gedaagde,
advocaat mr. I. Wassenaar te Amsterdam.
Partijen worden hierna, net als in de eerdere beslissingen, [eisers] en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 6 oktober 2021 (hierna: het tussenvonnis),
het vonnis in incidenten van 30 november 2022 (hierna: het vonnis in incident),
de rolbeslissingen van 8 februari 2023 en 28 februari 2023,
de akte uitlating tegenbewijs, tevens houdende akte overlegging nadere productie, met één productie, van [gedaagde] ,
de akte overlegging nadere productie, met één productie, van [gedaagde] ,
de antwoordakte van [eisers] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Het tussenvonnis en het tegenbewijs
2.1.
Voor de feiten en het geschil verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis. Hierna zullen dezelfde aanduidingen en afkortingen worden gebruikt als in het tussenvonnis.
2.2.
Met betrekking tot het gestelde onrechtmatig handelen (het via een samenstel van handelingen ontnemen van eigendom van [eisers] door [gedaagde] , althans het via OPH bewust profiteren door [gedaagde] van deze ontneming) heeft de rechtbank in het tussenvonnis (zie de rechtsoverwegingen 4.36 tot en met 4.45) voorshands bewezen geacht dat de aandelen van [eisers] in Victoria Asigurari en AVB Prim onder [gedaagde] regie en door tussenkomst van het door [gedaagde] gecontroleerde Economische Gerecht in Moldavië zijn ontvreemd (hierna ook: de regie over de raider attacks). De rechtbank heeft [gedaagde] toegelaten tot tegenbewijs tegen dit voorshands geleverde bewijs.
2.3.
Daarnaast heeft de rechtbank (niet voorshands maar definitief) bewezen geacht dat de aandelen van [eisers] buiten hun zicht zijn ondergebracht in OPF, een dochtervennootschap van OPH, waarvan [gedaagde] de UBO is, alsmede dat [gedaagde] deze aandelen daarna door OPH heeft laten verkopen aan een derde voor USD 75 of 80 miljoen en dat [gedaagde] de opbrengst daarvan voor zichzelf of voor OPH heeft behouden.
2.4.
In het kader van de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen regie van [gedaagde] over de raider attacks heeft [gedaagde] aangegeven in totaal 36 getuigen (onder wie zichzelf) te willen horen van wie het merendeel in Moldavië woont. In het vonnis in incident heeft de rechtbank de vordering van [gedaagde] tot het instellen van een rogatoire commissie in Moldavië afgewezen. Beslist is dat de getuigenverhoren ten overstaan van (een rechter-commissaris van) deze rechtbank zullen plaatsvinden. Met de rolbeslissing van 8 februari 2023 is het verzoek van [gedaagde] om eerst drie getuigen via een videoverbinding te horen afgewezen.
2.5.
Uiteindelijk heeft [gedaagde] geen getuigen voorgebracht. Wel heeft hij schriftelijke stukken overgelegd, waaronder verklaringen van een aantal van door hem beoogde getuigen.
De door [gedaagde] overgelegde schriftelijke verklaringen
2.6.
Bij akte van 1 december 2021 heeft [gedaagde] verklaringen overgelegd van twaalf personen, onder wie zes (voormalig) rechters van respectievelijk het Economisch Gerecht in Moldavië, het Economisch Hof in Moldavië en de Hoge Raad in Moldavië. De twaalf verklaringen bestaan telkens uit een vraag-antwoordformulier, dat in het Roemeens en in het Engels is gesteld. De vraag-antwoordformulieren zijn tussen 23 en 26 november 2021 ingevuld en ondertekend ten overstaan van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een Moldavische advocaat.
2.7.
Aan de zes (voormalige) rechters zijn telkens dezelfde vragen gesteld, waarbij alleen de formulering van de vraag over de uitspraak of uitspraken die de betreffende rechter zou hebben gewezen (zie de hieronder opgenomen vraag 4) verschilt al naar gelang bij welke uitspraak deze rechter betrokken was. Het vraag-antwoordformulier voor de zes rechters bevat in de Engelse tekst de volgende vragen met bijbehorende antwoordopties die kunnen worden aangekruist:
1. Do you know Mr. [gedaagde] , DOB 01.01.1966?
Yes / No
2. In what kind of relationship are you or have you been with Mr. [gedaagde] ?
kinship / frindship / no relations / Other
3. During your activity as a judge, did you have for examination the cases in which Mr. [gedaagde] or the companies belonging to him were involved?
Yes / No / Other
4. Did you render the judgment/decision of the naam rechterlijke instantie] of [datum uitspraak] in the case between [naam eisende partij] as plaintiff and [naam gedaagde partijen] as defendants?
Yes / No / Other
5. During the course of the proceedings mentioned under question no.4, have you been influenced by Mr. [gedaagde] or his associates in the decision making?
Yes / No / Other
6. Do you still support the contents of the judgment mentioned under question 4?
Yes / No / Other
7. During your activity as a judge, have you ever been influenced by Mr. [gedaagde] or his associates or any third parties to render any other decisions in favor of Mr. [gedaagde] , his associates or the companies that belonged to him?
Yes / No / Other
8. Have you ever taken notice of other judges being influenced by Mr. [gedaagde] or his associates in the decision making?
Yes / No / Other
9. Have you ever heard about plans to expropriate [eisers] from any of their possessions?
Yes / No / Other
2.8.
De (voormalig) rechters [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] hebben de vierde vraag, of zij de betreffende uitspraak hadden gewezen en de vraag of zij nog steeds achter die uitspraak staan, bevestigend beantwoord en alle andere vragen telkens ontkennend beantwoord. De (voormalig) rechter [naam 7] heeft de vragen 1, 2 en 8 ontkennend beantwoord. Bij de overige vragen heeft hij telkens ‘Other’ als antwoord aangekruist en daarbij als toelichting het volgende geschreven (volgens de Engelse vertaling):
2.9.
De zes andere door [gedaagde] bij akte van 1 december 2021 overgelegde vraag-antwoordformulieren zijn ingevuld en ondertekend door:
- [naam 8] , griffier bij het Economisch Hof in Moldavië,
- [naam 9] , voormalig voorzitter bij de Supreme Council of Magistracy in Moldavië,
- [naam 10] , voormalig directeur van het National Anticorruption Centre in Moldavië,
- [naam 11] , voormalig president van het Hof van Beroep van Chisinau,
- [naam 12] , voormalig president van de Hoge Raad in Moldavië en voormalig rechter bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,
- [naam 13] , rector van een Moldavische universiteit.
2.10.
De aan elk van hen gestelde vragen met bijbehorende antwoordopties luiden als volgt:
1. Do you know Mr. [gedaagde] , DOB 01.01.1966?
Yes / No
2. In what kind of relationship are you or have you been with Mr. [gedaagde] ?
Kinship / Frindship / No relations / Other
3. During your activity, have you ever been influenced by Mr. [gedaagde] or his associates or any third parties to render any other decisions in favor of Mr. [gedaagde] , his associates or the companies that belonged to him?
Yes / No / Other
4. Have you ever noticed that other people have been influenced by Mr. [gedaagde] or his associates in making decisions?
Yes / No / Other
5.
Beoordeling
3.1.
Beoordeeld moet worden of [gedaagde] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door [eisers] geleverde bewijs dat de raider attacks onder regie van [gedaagde] zijn uitgevoerd. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het door [eisers] geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd.
3.2.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met de door hem overgelegde stukken het voorshands geleverde bewijs heeft ontzenuwd.
3.3.
[eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] geen tegenbewijs heeft geleverd.
3.4.
Van belang is allereerst dat de rechtbank het in het tussenvonnis gegeven oordeel over het voorhands bewezen zijn van de ontvreemding van de aandelen van [eisers] en de daarover gevoerde regie door [gedaagde] heeft gebaseerd, kort gezegd, op de volgende overwegingen.
Van [gedaagde] mocht een (nadere) verduidelijking worden verwacht, voor zover tussen partijen geschilpunten bestaan waarop het gerechtshof Amsterdam (in het bevoegdheidsincident tussen [eisers] en [gedaagde] en in de bodemprocedure tussen [eisers] en OPH) in het nadeel van [gedaagde] /OPH heeft beslist (mede) op de grond dat [gedaagde] /OPH geen of onvoldoende duidelijke standpunten had ingenomen over door [eisers] verdedigde stellingen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan met betrekking tot onder meer de volgende oordelen die het gerechtshof in zijn arrest van 16 juli 2019 heeft gegeven:
• dat de desbetreffende, voor het Economische Gerecht gevoerde, zaken op de rol van dat Gerecht kennelijk zijn geantedateerd;
• dat de betekening van de dagvaarding in die zaken voor de desbetreffende zittingen niet heeft plaatsgevonden;
• dat de desbetreffende vonnissen in een aantal opzichten grote overeenkomsten vertonen, terwijl de daarin genomen beslissingen gemeen hebben dat nauw aan [gedaagde] gelieerde (rechts)personen als eisers zijn opgetreden en hun vorderingen toegewezen hebben gekregen;
• dat aannemelijk is dat de kamers die in de desbetreffende zaken in hoger beroep en in cassatie hebben beslist niet, zoals wettelijk is voorgeschreven, willekeurig waren samengesteld.
Aan deze oordelen van het gerechtshof heeft op onderdelen mede een door [eisers] overgelegde ongedateerde verklaring van [naam 2] bijgedragen. Aan de latere ontkenning van [naam 2] (in een verklaring van 28 oktober 2015) komt onvoldoende betekenis toe, aldus het tussenvonnis.
3.5.
In het kader van de tegenbewijslevering heeft [gedaagde] twee nadere verklaringen van [naam 2] overgelegd (zie hiervoor 2.8 en 2.14), waarin [naam 2] volhardt in zijn eerdere ontkenning dat de in deze procedure door [eisers] als productie 22 overgelegde ongedateerde verklaring van hem afkomstig is. Deze nadere verklaringen van [naam 2] kunnen [gedaagde] niet baten. Ook als ervan uit zou worden gegaan dat de in het arrest van het gerechtshof en in het tussenvonnis aangehaalde ongedateerde verklaring niet door [naam 2] is afgelegd, is [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in het leveren van het tegenbewijs. Daartoe is het volgende van belang.
3.6.
In de eerste plaats hebben [eisers] onder verwijzing naar verschillende internationale en onafhankelijke publicaties voldoende onderbouwd dat onder meer in de periode waarin de Moldavische vonnissen zijn gewezen – in welke periode [gedaagde] grote politieke en financiële invloed in Moldavië had – sprake was van wijdverbreide corruptie en machtsmisbruik binnen de Moldavische politiek en de Moldavische rechterlijke macht. Eén van de instrumenten die daarbij werden toegepast, was de onrechtmatige onteigening van bezit door middel van juridische of arbitrale procedures (zogeheten raider attacks). Verder is onweersproken dat het Economisch Gerecht en het Economisch Hof in Moldavië als gespecialiseerde gerechten zijn opgeheven vanwege de hoge graad van corruptie en machtsmisbruik.
3.7.
In de tweede plaats is sprake van een aantal essentiële en ernstige onregelmatigheden bij de totstandkoming van de Moldavische vonnissen en een aantal bijzondere overeenkomsten tussen die vonnissen. Verwezen wordt naar de hiervoor in 3.4 aangehaalde oordelen van het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 16 juli 2019. Die onregelmatigheden en overeenkomsten maken dat er niet van uit kan worden gegaan dat de Moldavische vonnissen tot stand zijn gekomen in een procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Ook moet op basis daarvan ernstig worden betwijfeld of de Moldavische vonnissen tot stand zijn gekomen zonder beïnvloeding van derden.
3.8.
In de derde plaats staat vast dat het uiteindelijk [gedaagde] is geweest die telkens heeft geprofiteerd van de in de Moldavische vonnissen gegeven beslissingen, doordat de aandelen die voorwerp waren van die vonnissen zijn ondergebracht in een dochtervennootschap van OPH, waarvan [gedaagde] de UBO is, alsmede dat [gedaagde] deze aandelen daarna door OPH heeft laten verkopen en de opbrengst daarvan voor zichzelf of voor OPH heeft behouden. Deze omstandigheid wijst nadrukkelijk in de richting van de betrokkenheid van [gedaagde] .
3.9.
De hiervoor genoemde omstandigheden roepen een groot aantal vragen op over de totstandkoming van de Moldavische vonnissen en het uiteindelijk telkens door [gedaagde] profiteren van de in die vonnissen gegeven beslissingen. De hierover gerezen vraagpunten en onduidelijkheden zijn niet opgehelderd. [gedaagde] heeft geen getuigen onder ede doen horen, terwijl de rechtbank in het vonnis in incident en de rolbeslissing van 8 februari 2023 heeft benadrukt dat in deze zaak het onmiddellijkheidsbeginsel en het door de rechtbank kunnen bevragen van de voorgestelde getuigen van groot belang zijn. Gelet op de vele aspecten die om opheldering vragen, zijn de door [gedaagde] overgelegde verklaringen in de vorm van vraag-antwoordformulieren en de summiere aanvullende verklaring van [naam 3] onvoldoende om het tegenbewijs geleverd te achten. De overgelegde schriftelijke verklaringen ontkennen in algemeenheden corruptie en geven geen enkele toelichting over voornoemde aspecten die twijfel oproepen. Zo zijn in de vraag-antwoordformulieren geen specifieke vragen gesteld over de geconstateerde onregelmatigheden en bijzonderheden bij de totstandkoming van de Moldavische vonnissen. Ook in de verklaring van [naam 3] is daar niet op ingegaan. Verder heeft [gedaagde] zichzelf niet als getuige doen horen, terwijl hij evenmin bij de mondelinge behandeling in de hoofdzaak en de incidenten is verschenen. Daarmee is ook onduidelijk gebleven hoe het kan, anders dan door betrokkenheid van [gedaagde] , dat [gedaagde] als UBO van OPH uiteindelijk stelselmatig heeft geprofiteerd van de in de Moldavische vonnissen gegeven beslissingen.
3.10.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de tegenbewijslevering geen concrete gegevens bevat die het voorshands bewijs van betrokkenheid bij en de regie door [gedaagde] over de raider attacks ontzenuwen. Daarmee is [gedaagde] niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Dat betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eisers] door de regie over de raider attacks te voeren en op die manier de aandelen van [eisers] in Victoria Asigurari en AVB Prim te ontvreemden.
Conclusie
4.1.
De vorderingen van [eisers] , voor zover gebaseerd op onrechtmatig handelen, zijn toewijsbaar. Verder was in het tussenvonnis al geoordeeld (zie de rechtsoverwegingen 4.46 tot en met 4.49 daarvan) dat de vordering, voor zover deze is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, toewijsbaar is.
4.2.
Dat betekent dat de vorderingen van [eisers] integraal zullen worden toegewezen.
4.3.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Vanwege de omvang van de zaak en de met de gevorderde verklaringen voor recht gemoeide financiële belangen vindt de rechtbank tarief VIII (€ 4.247,00 per punt) passend voor het salaris advocaat. De kosten aan de zijde van [eisers] worden met inachtneming daarvan begroot op:
- dagvaarding € 93,80
- griffierecht € 0,00
- salaris advocaat € 12.741,00 (3 punten × tarief € 4.247,00)
Totaal € 12.834,80
4.4.
Het te vergoeden griffierecht is nihil. Aan [eisers] is namelijk in de hoofdzaak geen griffierecht in rekening gebracht vanwege eerder door hen betaald griffierecht voor twee beslagrekesten. Dat eerder betaalde griffierecht (dat hoger was dan het in de hoofdzaak te heffen tarief) strekte in mindering op het griffierecht in de hoofdzaak.
4.5.
De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zijn toewijsbaar als hieronder vermeld.
Dictum
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van [eisers] ,
5.2.
verklaart voor recht dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eisers] en verplicht is de schade van [eisers] te vergoeden,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de door [eisers] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 12.834,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten van [eisers] , begroot op € 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 tot en met 5.5 genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, mr. C.M.E. de Koning en mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2023.
Zie met name de producties 14, 49, 51, 56 en 57 van [eisers] .
type:
coll: