Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-14
ECLI:NL:RBAMS:2023:4486
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/960
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser,
( [gem. eiser] )
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
( [gem. verweerder] ).
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft op 12 november 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd.
Op 13 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van den Aarsen, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op 12 november 2022 om 20.04 uur stond eiser met de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd ter hoogte van de [adres] te Amsterdam, terwijl daar geen of te weinig parkeerbelasting voor was betaald. Daarom heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag opgelegd ter hoogte van € 72,50. De nageheven bedragen bestaan uit € 6,- parkeerbelasting en € 66,50 kosten voor het opleggen van de aanslag.
Standpunt eiser
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat het belastbare feit zich niet heeft voorgedaan omdat hij op grond van artikel 225 lid 2 Gemeentewet geen parkeerbelasting was verschuldigd. Hij stond namelijk op een laad- en losplek geparkeerd waarop het regime van de Wet Mulder van toepassing is (parkeren in strijd met een wettelijk voorschrift).
Standpunt heffingsambtenaar
3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat deze parkeerlocatie op 12 november 2022 om 20:04 uur geen laad- en losplek was, maar een gefiscaliseerde parkeerplek. De heffingsambtenaar heeft stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat deze parkeerplaats van 7 november 2022 (start 7:00 uur) tot en met 11 november 2022 (stop 16:00 uur) op grond van een tijdelijke verkeersmaatregel een laad- en losplek was. Op het tijdstip van het opleggen naheffingsaanslag parkeerbelasting was het dus een parkeerlocatie waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is, aldus de heffingsambtenaar.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat de heffingsambtenaar de taak heeft om duidelijk kenbaar te maken waar, wanneer en op welke wijze parkeerbelasting moet worden voldaan. Dit kan blijken uit bebording of parkeerapparatuur in de directe omgeving van de parkeerplaats. Aan de andere kant heeft de parkeerder een onderzoeksplicht om zich op de hoogte te stellen van het parkeerregime dat ter plaatse geldt.
5. Op de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s is te zien dat de parkeerlocatie door middel van een verkeersbord met onderbord tijdelijk was aangewezen als laad- en losplek. De precieze duur van de maatregel is op de foto’s niet duidelijk te zien. In de door de heffingsambtenaar overgelegde uitdraai van het systeem waarin dergelijke verkeersmaatregelen worden geregistreerd, staat evenwel als begindatum van deze verkeersmaatregel 7 november 2022, als einddatum 11 november 2022, als begintijd 7:00 uur en als eindtijd 16:00 uur. Verder blijkt uit het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht straatparkeerrecht (NPR) dat er op 12 november 2022 ter hoogte van [adres] voor andere voertuigen wel parkeerbelasting is voldaan. De rechtbank vindt het gelet daarop aannemelijk dat op het onderbord ter plaatse was vermeld dat deze tijdelijke verkeersmaatregel gold tot 11 november 2022 16:00 uur en dat dus duidelijk kenbaar was dat op 12 november 2022 sprake was van een parkeerplek waarvoor parkeerbelasting moest worden betaald. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit anders was. De heffingsambtenaar heeft de parkeerbelasting dan ook terecht nageheven.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Voor een vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G. Elfferich, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.