Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-13
ECLI:NL:RBAMS:2023:4473
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,805 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-669032-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 13 juli 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat de officier van justitie, veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr. S. Schuurman, voorafgaand aan en tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2023 naar voren hebben gebracht.
2De ontnemingsvordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 8 oktober 2020 de rechtbank gevraagd het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel en aan de staat te betalen bedrag vast te stellen op € 142.843,80. Op de zitting van 1 juni 2023 heeft de officier van justitie gevorderd dat de ontnemingsvordering wordt toegewezen.
3De grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2018 – kort samengevat – veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, medeplegen van flessentrekkerij en medeplegen van meerdere oplichtingen van [benadeelde partij]. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis met uitzondering van de strafoplegging bevestigd. De officier van justitie heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde geschat. Deze schatting is gebaseerd op een transactieberekening per delict over de periode 1 november 2017 tot en met 11 juli 2019. Naast voornoemde veroordeling heeft de officier van justitie twee andere strafbare feiten ten grondslag gelegd aan de ontnemingsvordering, te weten een aangifte van oplichting van [persoon 1] ([persoon 1]) voor een bedrag van € 114.700,- dat [persoon 1] had geïnvesteerd in het bedrijf [naam bedrijf BV1] en een aangifte van verduistering namens Volkswagen Bank GmbH voor leaseauto’s van [naam bedrijf 2].
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden toegewezen.
De zaak van [persoon 1] betreft geen civielrechtelijk geschil, maar een oplichting. Omdat veroordeelde van veel strafbare feiten werd beschuldigd, is ervoor gekozen om voor de zaak van [persoon 1] geen strafvervolging, maar een ontnemingsprocedure in te stellen. De aangifte van [persoon 1] en zijn verklaring bij de rechter-commissaris zijn duidelijk en [persoon 1] heeft bewijzen van de oplichting overgelegd. Ook uit de getuigenverklaring van [getuige] blijkt dat veroordeelde zijn afspraken niet nakwam. [persoon 1] is door veroordeelde opgelicht, aangezien veroordeelde bepaalde voorstellingen heeft gedaan die niet klopten en [persoon 1] zijn geld kwijt is. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is veroordeelde zowel zakelijk als privé toegekomen.
Voor de kosten van twee leaseauto’s van [naam bedrijf 2] (de Fiat 500 en de Volkswagen Polo) geldt het volgende. In het ontnemingsrapport zijn de kosten per contractmaand berekend en vermenigvuldigd met het aantal maanden waarin de auto’s zijn gebruikt. Dat is het bedrag dat als kosten is afgetrokken. Dat bedrag ligt weliswaar lager dan wat er voor de auto’s is aanbetaald, maar dat is voor risico van de veroordeelde. Het betekent niet dat de aanbetalingen volledig als kosten in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De in de strafzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] moet niet op de ontnemingsvordering in mindering worden gebracht. Dit moet pas in de executiefase worden beoordeeld.
Op het onder veroordeelde in beslag genomen bedrag van € 11.500,- rust conservatoir beslag in een ander zaak, Rolwolk1. Dat betekent dat het niet in deze ontnemingsprocedure van de betalingsverplichting kan worden afgetrokken.
De raadsman meent dat de officier van justitie voor het deel van de vordering dat ziet op de aangifte van [persoon 1] niet-ontvankelijk is dan wel dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen. De aangifte van [persoon 1] heeft nooit tot een strafrechtelijke veroordeling of zelfs strafvervolging geleid. Het is een civielrechtelijke kwestie. De oplichting zou bestaan uit het door [persoon 1] laten verstrekken van een lening aan [naam bedrijf BV1], het bedrijf van veroordeelde. Veroordeelde heeft een persoonlijke borgstelling getekend voor deze lening die hij zakelijk is aangegaan. [persoon 1] kan hem daarop aanspreken en heeft dat ook gedaan. Voor zover wel sprake zou zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel kan dat niet worden toegerekend aan veroordeelde. De investering van [persoon 1] kwam ten gunste van [naam bedrijf BV1] Veroordeelde kan daarom niet zonder meer privé strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden.
Ten aanzien van twee leaseauto’s van [naam bedrijf 2] (de Fiat 500 en de Volkswagen Polo) moeten de aanbetalingen volledig op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht. Het gaat om gemaakte kosten.
Verder moet de toegewezen schadevergoedingsvordering van [benadeelde partij] in mindering worden gebracht op de ontnemingsvordering.
Tot slot moet ook het bij veroordeelde inbeslaggenomen contante geld (€ 11.500,-) op de betalingsverplichting in mindering worden gebracht. Veroordeelde stond immers op het punt om dit geld aan [persoon 1] te betalen.
4.2.
Beoordeling
De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht. Op basis van dat artikel kan geld van veroordeelde worden ontnomen als hij is veroordeeld voor een strafbaar feit en hij voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit of andere strafbare feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan. De rechtbank acht op grond van het arrest van 11 augustus 2020 en het ontnemingsrapport en de daarin genoemde bewijsmiddelen aannemelijk dat veroordeelde voordeel heeft verkregen uit concrete strafbare feiten, namelijk flessentrekkerij en oplichting van [benadeelde partij] en verduistering van leaseauto’s. De rechtbank schat dat voordeel op € 26.789,43. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat veroordeelde voordeel heeft verkregen uit oplichting van [persoon 1] ter hoogte van zijn investering van € 114.700 in het bedrijf van veroordeelde.
De investering van [persoon 1] van € 114.700,-
Het ontnemingsrapport verwijst voor dit deel van de vordering naar de aangifte van [persoon 1]. De verdediging betwist dat sprake is geweest van oplichting van [persoon 1]. [persoon 1] heeft een bedrag van € 114.700,- geïnvesteerd in [naam bedrijf BV1]. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van dit investeringsbedrag niet zonder meer kan worden gesteld dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel is. Het enige wat op dit punt aan de vordering ten grondslag ligt, is de aangifte van [persoon 1]. Mede gelet op de betwisting door de verdediging levert de enkele aangifte onvoldoende aanwijzingen op voor stelling dat het buiten redelijke twijfel is dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. De officier van justitie heeft niet meer gedaan dan verwijzen naar het ontnemingsrapport waarin staat dat sprake is van een aangifte van oplichting door middel van valste stukken. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om meer feiten en omstandigheden aan te dragen die aannemelijk maken dat veroordeelde [persoon 1] heeft opgelicht, zeker nu veroordeelde dit betwist. Het bedrag van € 114.700,- wordt daarom niet als wederrechtelijk verkregen aangemerkt.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit flessentrekkerij en oplichting van [benadeelde partij]
De berekende opbrengst uit de flessentrekkerij en oplichting van [benadeelde partij] Diemen bedraagt € 5.700,99. De berekende opbrengst uit de flessentrekkerij en oplichting van [benadeelde partij] Haarlem bedraagt € 2.688,44. Nu deze berekeningen de rechtbank aannemelijk voorkomen en deze verder niet zijn betwist, stelt de rechtbank het uit deze feiten te ontnemen bedrag vast op € 8.389,43.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit verduistering van leaseauto’s
Volkswagen Bank GmbH heeft aangifte gedaan van verduistering van drie leaseauto’s van [naam bedrijf 2]. Op basis van de aangifte en de verklaring van veroordeelde, zoals samengevat in de ontnemingsrapportage, is voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde op naam van [naam bedrijf BV1] een Fiat 500, een Volkswagen Polo en een Audi A3 heeft geleased. Van deze leaseauto’s is de huurprijs niet dan wel slechts gedeeltelijk betaald en de leaseauto’s zijn niet ingeleverd. Twee auto’s, de Fiat 500 en de Volkswagen Polo zijn teruggevonden. De Audi A3 is nooit teruggevonden. Veroordeelde heeft voor twee van de drie voertuigen aanbetalingen gedaan. De rechtbank vindt net als de raadsman en anders dan de officier van justitie dat de aanbetalingen volledig in mindering moeten worden gebracht op het voordeel. Immers, de ontnemingsmaatregel strekt ertoe het daadwerkelijk genoten voordeel te ontnemen. Dat betekent dat bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakte kosten in mindering worden gebracht op de opbrengst van de criminele activiteit. De volledige aanbetalingen zijn gemaakte kosten en moeten dus van de opbrengst worden afgetrokken. Per auto leidt dit tot het volgende voordeel. Voor de Fiat 500 is € 8.500,- aanbetaald. De berekende opbrengst bedraagt € 1.769,50. Daarmee komt het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de Fiat 500 op nihil. Voor de Volkswagen Polo is ook € 8.500,- aanbetaald. De berekende opbrengst bedraagt € 4.039,88. Daarmee komt het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de Volkswagen Polo op nihil. Voor de Audi A3 is € 12.500,- aanbetaald. De berekende opbrengst is de aanschafwaarde van € 30.900,-. Daarmee komt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit verduistering van de Audi A3 op € 18.400,-. De verdediging heeft nog aangevoerd dat verschillende kosten die [naam bedrijf BV1] heeft gemaakt in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat daarbij om kosten voor het opstarten en voeren van het bedrijf, zoals de telefoonaansluiting, notariskosten en een akte van statutenwijziging. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat onvoldoende duidelijk is gemaakt dat deze kosten in verband staan met de Audi A3.
Het toerekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde als natuurlijk persoon wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Op basis van rechtspraak van de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat iemand (nagenoeg) enig aandeelhouder van een B.V. is, niet mee dat het door de B.V. genoten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft te gelden als voordeel dat door diegene als natuurlijk persoon is verkregen. In deze zaak zijn echter omstandigheden die maken dat het door de onderneming genoten voordeel kan worden toegerekend aan veroordeelde. Veroordeelde was enig bestuurder en enige tijd enig aandeelhouder en de enige werknemer van [naam bedrijf BV1] Door de B.V. zijn blijkens belastingdienstgegevens nooit loonbelasting en/of premies afgedragen voor veroordeelde. Hij heeft een geldlening van € 10.000,- van 9 februari 2018 voor [naam bedrijf BV1] naar zijn privérekening [rekeningnummer 1] overgemaakt. Van diverse overschrijvingen van rekening [rekeningnummer 2] t.n.v. [naam bedrijf BV1] is aannemelijk dat dit privébetalingen betreffen. Het gaat blijkens de omschrijvingen van deze overboekingen onder andere om terugbetaling van een lening van veroordeelde, een aanbetaling voor een horloge, pinbetalingen bij supermarkten, alimentatie voor de (ex)vrouw van veroordeelde en overboekingen naar zijn moeder. In de periode van 23 oktober 2017 tot en met 2 maart 2018 is 22 keer contant geld gestort op de privé rekening van veroordeelde voor een bedrag van € 21.410,-. Aangezien er geen andere inkomsten van veroordeelde bekend zijn, is het aannemelijk dat dit geld (deels) afkomstig is uit de verhuur van de auto’s door [naam bedrijf BV1] Veroordeelde gebruikte kennelijk zijn privérekening voor inkomsten uit [naam bedrijf BV1] De leaseauto’s zijn dus weliswaar geleased via [naam bedrijf BV1], maar vast staat dat veroordeelde als enige volledig beslissingsbevoegd was en dat hij in privé beschikte over geld van [naam bedrijf BV1] Het door [naam bedrijf BV1] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verduistering van de leaseauto’s was dus voor hem beschikbaar. Aangezien veroordeelde alle relevante beslissingen heeft genomen en rechtshandelingen heeft verricht die hebben geleid tot het verkrijgen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en tot verbetering van de vermogenspositie van [naam bedrijf BV1], kan dat voordeel aan hem worden toegerekend. Dat de bedrijfsvoering van [naam bedrijf BV1] doorging in de periode dat veroordeelde in detentie zat, maakt dat niet anders.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 26.789,43. (zesentwintigduizend zevenhonderdnegenentachtig euro en drieënveertig cent).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 14.720,-
(veertienduizend zevenhonderdtwintig euro) aan de Staat.
Bepaalt dat maximaal 294 dagen gijzeling kan worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. Pieters, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en C.F.J. Heemskerk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2023.
Vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2018 met parketnummer 13-669032-18, bijlage bij de ontnemingsrapportage.
Arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2020 met parketnummer 23-003962-18, bijlage in het procesdossier.
Proces-verbaal Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met nr. 10274280 van de Eenheid Amsterdam van 11 juli 2019, opgemaakt door inspecteur van politie, financieel rechercheur [persoon 2].
Hoge Raad 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1522.