Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:4414
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,219 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/093492-23
Datum uitspraak: 21 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 19 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 april 2022 door the Regional Court in Gdańsk (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd uit andere hoofde in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juni 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, vermeldt een enforceable decision to impose pre-trial detention van the District Court in Gdańsk van 22 februari 2022 (referentienummer II Kp 58/22).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Gelijkstelling
De raadsman heeft ter zitting verzocht om aanhouding om de verdediging in de gelegenheid te stellen teneinde nadere stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer aan te kunnen tonen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet kan worden aangetoond dat de opgeëiste persoon in de vijf jaar voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
De rechtbank heeft op de zitting van 7 juni 2023 het verzoek om aanhouding afgewezen, omdat er voorafgaand aan de zitting geen enkel stuk is overgelegd ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer, terwijl de opgeëiste persoon daar wel voldoende tijd voor heeft gehad. Voor zover de raadsman – bij een afwijzing van het verzoek tot aanhouding – heeft verzocht alsnog tot gelijkstelling van de opgeëiste persoon te komen, is de rechtbank van oordeel dat een gelijkstellingsverweer niet slaagt. Niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland heeft gehad.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat het feitencomplex verbonden is met Nederland.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van de toepassing van deze weigeringsgrond, omdat:
het onderzoek is in Polen aangevangen;
het bewijsmateriaal zich grotendeels in Polen bevindt;
de Poolse autoriteiten de wens tot vervolging hebben geuit middels het uitvaardigen van een EAB;
het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om vervolging voor het feit in te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen zich (grotendeels) in Polen bevinden, de Poolse autoriteiten de wens tot vervolging hebben geuit door het uitvaardigen van een EAB, de rechtsorde in Polen is geschokt nu de drugs aldaar zijn ingevoerd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om vervolging voor het feit in te stellen. In dat licht vormt het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
7. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en A.J.R.M. Vermolen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juni 2023.
De jongste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).