Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-09
ECLI:NL:RBAMS:2023:4411
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/070371-23 (EAB IV)
Datum uitspraak: 9 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 14 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2015 door de Office of the Prosecutor of the Republic of Forlí (Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1960,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 9 mei 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 mei 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor haar collega, M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tussenuitspraak 23 mei 2023
De rechtbank heeft op 23 mei 2023 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW.
Zitting 7 juni 2023
De behandeling van het EAB heeft, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 7 juni 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigde raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, advocaat te Amsterdam, die heeft waargenomen voor haar collega, M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon heeft op 6 juni 2023 afstand gedaan van zijn recht ter zitting aanwezig te zijn.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Roemeense nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 23 mei 2023
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 23 mei 2023. Hierin heeft de rechtbank in overweging 3 de grondslag en de inhoud van het EAB al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de informatie genoemd in de aanvullende informatie van 1 juni 2023 niet is afgegeven door een daartoe bevoegde persoon nu uit de e-mail niet de hoedanigheid van die persoon blijkt. Het betreft alleen een tekst in een niet ondertekend e-mail bericht. De overlevering dient daarom niet te worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer niet slaagt. Zoals de officier van justitie op de zitting heeft aangegeven, is het verzoek van het IRC om aanvullende informatie over de hoger beroepsprocedure verstuurd naar het e-mailadres dat bij de contactgegevens van de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB staat vermeld. Vervolgens is hierop bij e-mailbericht van 1 juni 2023 een antwoord gekomen. De rechtbank leidt hieruit af dat de verstrekte informatie afkomstig is van een daartoe bevoegde persoon namens de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank ziet in wat de raadsvrouw heeft aangevoerd geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank verwerpt het verweer.
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 juni 2023 af dat in hoger beroep op 9 december 2002 door de Court of Appeal of Rome, definitief is geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon en zijn veroordeling tot een straf, nadat de zaak, in feite en in rechte, opnieuw ten gronde is behandeld. Dit betekent dat alleen de procedure die heeft geleid tot het arrest van 9 december 2002 getoetst moet worden aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest van 9 december 2002 heeft geleid. In het EAB is in rubriek D aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, hij een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en de opgeëiste persoon op het proces ook daadwerkelijk door die advocaat is verdedigd.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de in artikel 12, aanhef en onder b, OLW genoemde omstandigheid zich heeft voorgedaan. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn verbreken, opheffen of beschadigen.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Italië
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn in artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrecht zal worden geschonden als hij wordt overgeleverd aan Italië. De opgeëiste persoon behoeft specifieke zorg. Blijkens door de raadsvrouw overgelegde informatie heeft de opgeëiste persoon een psychiatrische aandoening. Meer precies lijdt hij aan een psychotisch ziektebeeld waarvoor hij dwangmedicatie toegediend heeft gekregen. Hij is van een reguliere penitentiaire inrichting overgeplaatst naar het PPC, en vervolgens naar een Justitieel Medisch Centrum voor Somatische Ziekten (JCvSZ). Inmiddels verblijft hij weer in het PPC te Zaanstad.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 199 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Office of the Prosecutor of the Republic of Forlí (Italië) voor het feit dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en P. Sloot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
Hof van Justitie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628.
ECLI:NL:RBAMS:2019:10053.
ECLI:NL:RBAMS:2023:2332.
o.a. ECLI:NL:RBAMS:2020:2039.