Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:4410
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,263 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/102822-23
Datum uitspraak: 21 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 februari 2022 door het Amtsgericht Augsburg (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juni 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Kroatische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Kroatische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht Augsburg van 23 september 2021 (referentienummer: 19 Ls 306 Js 109095/15).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
telkens; poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander. Zij is in april 2002 getrouwd met een Nederlander, staat sinds 2006 ingeschreven in de BRP en heeft vanaf 22 juni 2012 tot 24 augustus 2017 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in verband met haar verblijf bij haar echtgenoot. Nadien is aan haar geen verblijfsvergunning meer verstrekt. Dat hoefde ook niet want Kroatië is vanaf 1 juli 2013 lid van de EU. Daarnaast staat in het SKDB-overzicht vermeld dat zij rechtmatig verblijf voor onbepaalde tijd als EU onderdaan heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, Vreemdelingenwet 2000. Dat er maar weinig gegevens over haar inkomen en verblijf in Nederland zijn overgelegd, staat niet in de weg aan een gelijkstelling nu de opgeëiste persoon sinds 2013 duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is in reactie op het standpunt van de raadsvrouw van mening dat de opgeëiste persoon vanaf 1 juli 2013 weliswaar geen verblijfsvergunning meer nodig heeft, maar dat zij om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander wel moet kunnen aantonen dat ze vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft gewoond. Dat toont de BRP niet aan.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank deelt niet het standpunt van de raadvrouw dat een nadere onderbouwing van het ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland niet noodzakelijk is, omdat de opgeëiste persoon vanaf juli 2013 duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Met hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd is nog niet aangetoond dat de opgeëiste persoon aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW voldoet. In de SKDB staat weliswaar bij het kopje “verblijfsgegevens” vermeld dat de opgeëiste persoon op grond van artikel 8, onder e, Vw 2000 in Nederland verblijft waarbij is vermeld “onbepaald”, maar deze vermelding staat niet gelijk aan de vaststelling dat de betrokkene duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen.
Om gelijk gesteld te worden met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 6a, eerste en negende lid, OLW, dient dus aan de bovengenoemde vereisten te worden voldaan.
Uit de SKDB volgt dat de opgeëiste persoon in de periode van 11 september 2013 tot
5 oktober 2021 niet in Nederland stond ingeschreven, en uit de overgelegde stukken blijkt niet of en zo ja, waar in Nederland zij in die periode tussen 2013 en 2021 heeft gewoond. Niet aangetoond is dus dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Hiermee is dus niet aan de eerste voorwaarde voldaan zodat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Augsburg (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en P. Sloot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.