Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-05-23
ECLI:NL:RBAMS:2023:4394
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,412 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/070771-23
Datum uitspraak: 23 mei 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 14 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 november 2022 door the Regional Court in Gdańsk (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 mei 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the District Court Gdańsk-South in Gdańsk of 12 July 2021 (referentienummer II K 46/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 9 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling van zijn strafzaak en geen van de in artikel 12 onder a tot en met d OLW genoemde situaties zich voordoet. De opgeëiste persoon heeft een adres opgegeven, maar daar zijn geen stukken naar gestuurd. De enkele mededeling dat dit wel is gebeurd, is onvoldoende om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen grond voor weigering vormt en de overlevering dient te worden toegestaan. Uit het EAB is gebleken dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven en een adresinstructie heeft gekregen, zoals in Polen gebruikelijk is. Dat hij vervolgens niet aanwezig is geweest bij de behandeling van zijn strafzaak, kan aan hem worden verweten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Weliswaar is in het EAB onder D aangegeven dat (kort gezegd) sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder b OLW, maar uit onderdeel 2 van rubriek D van het EAB blijkt dat de oproeping de opgeëiste persoon niet daadwerkelijk heeft bereikt, zodat niet op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
In onderdeel d) van het EAB staat echter vermeld dat de opgeëiste persoon op 22 september 2020 door de politie als verdachte is verhoord. Hij is toen ook gewezen op zijn verplichting aan de autoriteiten iedere wijziging van zijn adres op te geven. Ook is hem verteld dat de rechtbank als hij zonder geldige reden niet zou verschijnen op de zitting, in zijn afwezigheid vonnis kon wijzen. De opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting van 12 juli 2021 hoewel hij wel op de juiste wijze opgeroepen was. De oproeping is immers twee maal vergeefs aangeboden op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres onder achterlating van een afhaalbericht, maar is niet door hem opgehaald. Gelet op het vertrouwensbeginsel ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die informatie. De loutere stelling van de opgeëiste persoon dat zijn moeder de stukken niet heeft ontvangen, is geen reden om ervan uit te gaan dat de door de Poolse autoriteiten gegeven informatie niet juist zou zijn.
De opgeëiste persoon was ervan op de hoogte dat er een procedure tegen hem liep. Hij heeft een adres opgegeven en een adresinstructie ontvangen en hij is gewezen op de consequenties van het niet aan die instructies voldoen. Vervolgens is hij verhuisd naar Nederland. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het vorenstaande maakt dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
opzetheling;
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 mei 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).