Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-07
ECLI:NL:RBAMS:2023:4369
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,397 tokens
Dictum
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in [plaats detentie] .
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
In het strafvorderlijk onderzoek tegen verdachte zijn op 7 februari 2023 goederen in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv.
Procedure
Het klaagschrift is op 15 mei 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 23 juni 2023 het klaagschrift op de openbare terechtzitting behandeld.
De rechtbank heeft de officier van justitie, klager en zijn raadsman, mr. M. Rafik, ter terechtzitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van in totaal € 420,- (goednummers 6299580 en 6298925), verschillende kledingstukken en een telefoon. Ter terechtzitting is namens klager aangevoerd dat de telefoon al is teruggegeven. Het beklag strekt daarom nog tot teruggave van het geld en de kledingstukken.
Namens klager is aangevoerd dat klager de rechthebbende van het geld is. Klager heeft het geld op 6 februari 2023 bij Western Union opgehaald. Hij heeft dit geld ontvangen van een contact uit Frankrijk.
Voor wat betreft de kledingstukken geldt dat het klager bevreemdt dat de goederen uit de Audi zijn teruggegeven aan de eigenaar van de Audi. Dit is een evidente misslag, omdat het vaststaat dat er in de Audi meerdere personen hebben gezeten.
Er is niet langer een strafvorderlijk belang dat het voortduren van het beslag noodzakelijk maakt. Het laten voortduren van het beslag zou bovendien evident disproportioneel zijn, omdat klager er groot belang bij heeft dat hij zijn goederen terug krijgt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beklag voor zover dit is gericht op de kledingstukken. Er zijn geen kledingstukken in beslag genomen en die zijn dus ook niet in het bezit van justitie.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave van het in beslag genomen geld aan klager. Het valt niet uit te sluiten dat dit geld het geld is dat van het slachtoffer is gestolen. Het geld moet daarom worden teruggegeven aan het slachtoffer.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Gelet op de stukken uit het strafvorderlijk onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting oordeelt de rechtbank dat zij niet kan vaststellen dat er kledingstukken van verdachte in beslag zijn genomen. De rechtbank verklaart de klager daarom niet-ontvankelijk in zijn beklag voor zover dit is gericht op de kledingstukken.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag moet de rechtbank eerst beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Gelet op de stukken uit het strafvorderlijk onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting oordeelt de rechtbank dat er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat. Bovendien kan de rechtbank niet vaststellen dat het slachtoffer rechthebbende van het geld is. De rechtbank verklaart het beklag daarom gegrond voor zover dit is gericht op het geld en gelast de teruggave van het geld aan klager.
Dictum
De rechtbank verklaart:
klager niet-ontvankelijk in zijn beklag voor zover het beklag is gericht op de kledingstukken;
het beklag gegrond voor zover het beklag is gericht op het geldbedrag van € 420,- en gelast de teruggave van dit geld aan klager.
Deze beslissing is gegeven door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. F.W. Pieters en C.F.J. Heemskerk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Post, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2023.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.