Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-15
ECLI:NL:RBAMS:2023:4169
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,296 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/296600-22
Datum uitspraak: 15 juni 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2023. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N.M. van Wersch naar voren hebben gebracht.
2De tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. aanranding van [persoon 1] op 14 november 2022 te Amsterdam door onverhoeds zijn hand op de bil(len) van [persoon 1] te leggen en/of [persoon 1] hierbij de woorden toe te voegen: “Je hebt een lekker kontje”;
2. aanranding van [persoon 2] op 18 september 2022 te Nederland door, nadat hij in een trein ten overstaan van [persoon 2] rijdende bewegingen met zijn heupen heeft gemaakt, het gezicht, de lippen en/of de mond van [persoon 2] aan te raken en/of haar lippen naar beneden te duwen en/of (de binnenkant van) het been van [persoon 2] aan te raken.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3De waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer ten aanzien van feit 1 gevoerd. Wel vindt de raadsman dat verdachte voor feit 2 moet worden vrijgesproken. De aangifte wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen waardoor niet wordt voldaan aan het bewijsminimum. Daarnaast kan de verklaring van verdachte bij de politie niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat dit geen betrouwbare verklaring is gelet op de onsamenhangende antwoorden van verdachte.
3.3.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van [persoon 1] en van [persoon 2].
Aanranding van [persoon 1] (feit 1)
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II vast dat verdachte onverhoeds zijn hand op de bil(len) van [persoon 1], een hem onbekende vrouw, heeft gelegd. Vervolgens heeft verdachte tegen [persoon 1] gezegd: “Je hebt een lekker kontje”.
Naar het oordeel van de rechtbank is de handeling van verdachte van seksuele aard, hetgeen ook blijkt uit de seksueel getinte opmerking die verdachte heeft gemaakt.
Aanranding van [persoon 2] (feit 2)
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II vast dat verdachte in de trein op ongeveer één meter afstand van [persoon 2] rijdende bewegingen met zijn heupen heeft gemaakt. Vervolgens heeft verdachte het gezicht en de lippen van [persoon 2] aangeraakt en haar lip naar beneden geduwd. Hierna is verdachte weggelopen. Ondertussen heeft [persoon 2] contact gehad met de conductrice, die de politie heeft ingeschakeld. Vervolgens is verdachte weer teruggelopen naar [persoon 2] en heeft hij de binnenkant van haar been, boven haar knie richting haar lies, aangeraakt.
Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan niet enkel op basis van de verklaring van aangeefster worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Voor een bewezenverklaring moet de verklaring van aangeefster voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft het steunbewijs niet te zien op de ontuchtige handelingen zelf.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [persoon 2] in voldoende mate steun vindt in de verklaring van de conductrice (opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen) en de verklaring van verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank is de combinatie van de handelingen van verdachte van seksuele aard. Deze handelingen zijn ook in strijd met de sociaal-ethische norm. De rechtbank komt tot de conclusie dat de handelingen als ontuchtig aan te merken zijn.
4De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.op 14 november 2022 te Amsterdam door een feitelijkheid [persoon 1] (wijkagent Politie Amsterdam) heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij verdachte:
- onverhoeds zijn hand op de bil(len) van voornoemde [persoon 1] gelegd en [persoon 1] hierbij de woorden toegevoegd: “Je hebt een lekker kontje”;
2.op 18 september 2022 in Nederland door andere feitelijkheden [persoon 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij verdachte:
- nadat hij in een trein ten overstaan van voornoemde [persoon 2] rijdende bewegingen (heupen naar voren en naar achteren) had gemaakt het gezicht en de lippen van [persoon 2] aangeraakt en haar lippen naar beneden geduwd en
- de binnenkant van het been vanaf haar knie richting haar lies van [persoon 2] aangeraakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
De officier van justitie en de raadsman vinden beiden dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Daarvoor dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
6.1.
Beoordeling
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage, psychiatrisch onderzoek, van 1 maart 2023, opgemaakt door de arts in opleiding tot specialist (psychiatrie) [persoon 3] en de psychiater (supervisor) [persoon 4]. Hierin is gerapporteerd dat verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in cannabisgebruik, matig van ernst. Tijdens beide tenlastegelegde feiten was verdachte psychotisch. De stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Dit leidt tot het advies om verdachte beide tenlastegelegde feiten in het geheel niet toe tet rekenen.
De rechtbank volgt het advies. Verdachte is niet strafbaar voor deze feiten en zal hiervoor worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feiten 1 en 2:
telkens: aanranding.
Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte. Dit bevel zal apart worden opgemaakt en aan het vonnis worden gehecht.
Op grond van artikel 9, tweede lid, sub h, van de Penitentiaire beginselenwet kan verdachte in afwachting van plaatsing in de kliniek gedetineerd blijven in de [detentieadres].
Zorgmachtiging
De rechtbank heeft aan verdachte, naar aanleiding van het verzoekschrift van de officier van justitie die tegelijk met deze strafzaak is behandeld, op 15 juni 2023 een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend (rekestnummer 734965 / 23-3650).
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.G.C. Groenendaal, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en C.M. Mellema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2023.
[...]