Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-27
ECLI:NL:RBAMS:2023:4125
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,908 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/103345-23
Datum uitspraak: 27 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2021 door de Procureur de la République de Nîmes (Frankrijk) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 juni 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. N.F. Christiansen die waarneemt voor mr. M. Levy, beiden advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 5 juni 2020 uitgevaardigd door de correctionele rechtbank van Nîmes in verband met het op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank van Nîmes van 5 juni 2020, referentienummer N° Parket 18319000062.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van dertig maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. De Franse justitiële autoriteiten hebben aangegeven dat de opgeëiste persoon deze straf nog geheel dient te ondergaan. De opgeëiste persoon heeft opgemerkt dat zij al acht maanden van de straf heeft uitgezeten.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om haar verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces haar verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4Strafbaarheid
4.1.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Feiten
1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
4. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende familiale en taalkundige banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
De raadsvrouw heeft verzocht om bij overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf expliciet te vermelden dat de opgeëiste persoon voor deze zaak in Frankrijk al acht maanden in voorarrest heeft gezeten en dat de opgeëiste persoon ten behoeve van hetzelfde EAB al negenentwintig dagen in overleveringsdetentie heeft gezeten, zodat deze periodes in mindering gebracht moeten worden op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de berekening van een eventuele aftrek van de tijd die de opgeëiste persoon in voorarrest en overleveringsdetentie heeft doorgebracht, een aangelegenheid is die aan de orde moet komen bij de tenuitvoerlegging van de straf. De rechtbank is niet bevoegd daarover in deze procedure te oordelen.
De raadsvrouw heeft verder bepleit dat ten aanzien van de opgeëiste persoon uitzonderlijke omstandigheden van toepassing zijn en heeft verzocht om het bevel gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot en met 11 augustus 2023 en daarbij - gelet op de op handen zijnde bevalling van de opgeëiste persoon - de meldplicht als schorsingsvoorwaarde achterwege te laten.
De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen schorsing van de gevangenhouding zoals de raadsvrouw heeft verzocht. Anders dan de raadsvrouw vindt de officier van justitie dat de meldplicht als voorwaarden moet blijven gelden.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij een bevel gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW is dat een schorsing van dit bevel slechts in uitzonderlijke omstandigheden plaatsvindt. Met de raadsvrouw en officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de combinatie van uitzonderlijke omstandigheden in dit geval een schorsing van het bevel gevangenhouding tot 11 augustus 2023 rechtvaardigt. De rechtbank heeft daarbij allereerst in aanmerking genomen dat de opgeëiste persoon op het punt staat om te bevallen. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon alleen de zorg draagt voor haar dochter van twee jaar. Deze zorg voor de dochter van opgeëiste persoon kan pas vanaf 11 augustus 2023 worden overgedragen. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het vluchtgevaar beperkt is, nu de opgeëiste persoon zichzelf in juni 2020 en wederom in 2023 heeft gemeld teneinde de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.
De rechtbank zal dan ook gelijktijdig de schorsing van de gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW, bevelen tot 11 augustus 2023. Anders dan de raadsvrouw heeft verzocht, zal de rechtbank de schorsing bevelen onder de reeds geldende voorwaarden, waaronder de meldplicht zodat de opgeëiste persoon in beeld blijft. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank de verwachting dat, indien de opgeëiste persoon wegens haar bevalling niet aan de meldplicht kan voldoen, zij hiervan geen problemen zal ondervinden als zij hierover direct contact met de officier van justitie opneemt.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 10, 11b Opiumwet en 2, 5, 6a, en 7 Overleveringswet.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Procureur de la République de Nîmes (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en schorst de gevangenhouding onder dezelfde voorwaarden die golden bij de eerdere schorsing tot aan 11 augustus 2023. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J. van Zijl en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.