Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-29
ECLI:NL:RBAMS:2023:4105
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,693 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/107726-23
Datum uitspraak: 29 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 28 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 april 2023 door Amtsgericht Osnabrück (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
Gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 juni 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Korte, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel ter voorlopige hechtenis van 25 april 2023, uitgevaardigd door Amtsgericht Osnabrück (Duitsland), met parketnummer 246 Gs 159/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon, te weten geverfd contant geld.
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft erop gewezen dat in het zich in het dossier bevindende nationale aanhoudingsbevel van 25 april 2023 naast de in het EAB genoemde plofkraak wordt gesproken over nog twee plofkraken, die zouden zijn gepleegd op 23 februari 2022 in Heidelberg en 5 november 2022 in Karlsruhe. De raadsman heeft gesteld dat overlevering alleen kan worden toegestaan ter zake van het in het EAB genoemde feit. De raadsman heeft subsidiair om aanhouding van de zaak verzocht om duidelijkheid te verkrijgen voor welke feiten de overlevering wordt gevraagd.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerefereerd aan het vertrouwensbeginsel. Zij gaat ervan uit dat de opgeëiste persoon in Duitsland slechts zal worden vervolgd voor het in het EAB genoemde feit. De Duitse autoriteiten hebben aanvullende toestemming nodig voor het geval zij vervolging wensen voor meer feiten.
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak wordt volgens het EAB de overlevering verzocht ten behoeve van de vervolging van één plofkraak die zou zijn gepleegd op 22 december 2022 in Buchholz in der Nordheide. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon in Duitsland slechts voor dat feit zal worden vervolgd. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak aan te houden voor nadere informatie over eventuele andere verdenkingen tegen verdachte.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, hij deze straf in Nederland mag ondergaan.
De officier van justitie in Osnabrück heeft bij brief van 12 juni 2023 de volgende garantie gegeven:
Ik verzeker u hierbij dat de vervolgde persoon na overbrenging vanuit Nederland, indien hij definitief wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig artikel 5 nummer 3 van het Kaderbesluit 2008/909/JI van 27 november 2008 (councel framework decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty fort he purpose of their enforcement in the European Union), voor de tenuitvoerlegging van zijn straf overgedragen zal worden naar Nederland om daar zijn straf uit te zitten.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en voert hiertoe aan dat een deel van het feit op Nederlands grondgebied is gepleegd, nu volgens het EAB het geldbedrag dat bij de opgeëiste persoon in Nederland is aangetroffen zou zijn verkregen door het feit waarvoor overlevering wordt gevraagd.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank, voor zover het feit geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd, af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
het onderzoek is in Duitsland aangevangen;
de plofkraak is in Duitsland gepleegd;
het Openbaar Ministerie is niet voornemens om de vervolging van de feitenuit het EAB zelf ter hand te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW niet van toepassing, nu uit de feitomschrijving, zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB, niet blijkt dat het feit waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd. Dat goederen in Nederland in beslag zijn genomen die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met het feit zoals omschreven in het EAB, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank verwerpt het verweer.
7Ne bis in idem
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor witwassen. Bij zijn aanhouding is geverfd contant geld aangetroffen. Mogelijk is dat geld afkomstig van de in het EAB vermelde plofkraak. In dat geval bestaat de kans dat hij dubbel wordt gestraft als de overlevering wordt toegestaan. De raadsman heeft gesteld dat de overlevering om die reden dient te worden geweigerd.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gesteld dat niet is gebleken dat de witwaszaak waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd, gerelateerd is aan de in het EAB genoemde plofkraak.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van dubbele vervolging. Zelfs wanneer de Nederlandse witwaszaak te relateren is aan de in het EAB genoemde plofkraak, hetgeen geenszins vaststaat, dan vindt vervolging in beide landen plaats voor twee verschillende feiten. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten geverfd contant geld, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Amtsgericht Osnabrück (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten geverfd contant geld, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en B. Yesilgöz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. (of eerste, derde en vierde lid OLW)
Zie onderdeel e) van het EAB.