Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-13
ECLI:NL:RBAMS:2023:3919
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,557 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/007375-23
Datum uitspraak: 13 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juni 2022 door de Advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboorteplaats] 1967,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Wijkman, advocaat te Almere.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van beroep Antwerpen d.d. 17 februari 2022, C4 kamer, referentie: 2020/PGA/1393 (griffienummer: C/214/2022).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2.859 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
Dictum
de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing en
de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet aan te tekenen, namelijk 15 dagen.
Per e-mail van 12 mei 2023 heeft de Advocaat-generaal van het parket bij het hof van beroep Antwerpen het volgende meegedeeld:
[opgeëiste persoon] kan nog steeds verzet aantekenen; dit is wel gebonden aan termijnen. De “gewone”
termijn bedraagt 15 dagen die ingaat na de uitspraak van het arrest. Echter is er ook nog een
“buitengewone” termijn dewelke eveneens 15 dagen bedraagt doch slechts ingaat vanaf het
ogenblik dat de betrokkene kennis krijgt van de betekening van de uitspraak. Wij hebben getracht het arrest aan betrokkene persoonlijk te doen betekenen via de Officier van justitie doch dit lukte niet. Daarom werd een nieuwe betekening gedaan op 26.4.2022 aan het openbaar ministerie (de zogenaamde onbekende woonst). Kennelijk heeft [opgeëiste persoon] nog geen kennis gekregen van die betekening zodat hij nog steeds verzet kan aantekenen in de buitengewone termijn.
En aanvullend per e-mail van 17 mei 2023 heeft de Advocaat-generaal van het parket bij het hof van beroep Antwerpen nog het volgende meegedeeld:
De regels met betrekking tot het verzet worden alhier geregeld door art. 187 van het Wetboek van strafvordering. (..)
M.i. is voor jullie van belang het derde lid van §1 (hetwelk ik heb aangeduid) en waaruit blijkt dat [opgeëiste persoon] nog steeds in verzet kan komen vermits [omdat, rechtbank] de verzetstermijn voor hem zal beginnen lopen na de dag waarop hij wordt overgeleverd (..).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft twijfels geuit over de verzetgarantie. Zij heeft gesteld dat deze niet onvoorwaardelijk is. In de e-mail van 12 mei 2023 staat dat de opgeëiste persoon ‘kennelijk’ nog geen kennis heeft gekregen van de betekening van het arrest. Volgens de raadsvrouw vervalt de verzetgarantie wanneer, na overlevering, in België zou blijken dat de opgeëiste persoon wel kennis heeft gekregen van de betekening van het arrest. In de e-mail van 17 mei 2023 wordt niet specifiek over de opgeëiste persoon gesproken en geeft het woord ‘vermits’ extra aanleiding voor twijfel. Tot slot heeft de raadsvrouw opgemerkt dat in beide e-mails wordt gesproken over [opgeëiste persoon] in plaats van [opgeëiste persoon] .
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gesteld dat de verzetgarantie onvoorwaardelijk is; de opgeëiste persoon kan binnen vijftien dagen na de dag waarop hij wordt overgeleverd verzet aantekenen.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de verklaring in onderdeel d) van het EAB, gelezen in samenhang met voormelde e-mails van 12 en 17 mei 2023 aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich dus niet voor.
De rechtbank acht de verzetgarantie onvoorwaardelijk. In de e-mail van 12 mei 2023 is specifiek vermeld waarom de Belgische autoriteiten ervan uitgaan dat de opgeëiste persoon nog geen kennis heeft genomen van de betekening van het arrest, namelijk omdat die betekening in dit geval heeft plaatsgevonden aan een onbekende woonstede. Volgens het Belgische Wetboek van Strafvordering geldt in een dergelijk geval dat de opgeëiste persoon in België verzet kan aantekenen binnen 15 dagen na de dag van overlevering. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat dit voor deze opgeëiste persoon anders zal zijn. Integendeel, in de e-mail van 17 mei 2023 (met in de onderwerpregel een specifieke verwijzing naar de opgeëiste persoon) wordt dit nogmaals bevestigd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank daarvan uit. Het woord ‘vermits’ geeft geen aanleiding voor twijfel, nu dit ‘omdat’ betekent. De naam [opgeëiste persoon] in beide e-mails ziet de rechtbank als een kennelijke verschrijving.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
poging tot moord, meermalen gepleegd
5Detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 10 mei 2023 heeft de adviseur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, te Brussel de volgende individuele detentiegarantie gegeven:
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3m2 individuele levensruimte.
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld, bestaat er, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en[, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW]. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 289 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2022:7536
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7937