Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-07
ECLI:NL:RBAMS:2023:3646
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
905 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.106587.22
Datum uitspraak: 7 juni 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 mei 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Zevenboom, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig behandeld met de zaak tegen zijn medeverdachte [medeverdachte] (13-106560-22) De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.
2Tenlastelegging
Aan verdacht is kort gezegd ten laste gelegd dat hij, samen met iemand anders, op 27 april 2022 in Amsterdam ongeveer 2,06 kilo cocaïne heeft vervoerd.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Vrijspraak
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken, omdat onvoldoende kan worden uitgesloten dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne. De verdediging heeft om diezelfde reden eveneens verzocht om verdachte vrij te spreken.
De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken. Daarvoor is het volgende van belang.
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder was van de auto waarin de aangetroffen cocaïne werd vervoerd. Bijrijder en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) is degene geweest die de tas met cocaïne in de auto heeft gezet en [medeverdachte] heeft verdachte gevraagd hem naar Badhoevedorp te rijden om iets af te geven.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte voorafgaand aan het vertrek met de auto wist dat [medeverdachte] cocaïne zou meenemen. Uit de verklaring van verdachte volgt wel dat verdachte op enig moment tijdens de autorit blokken in een tas heeft gezien en daarvan dacht ‘dit is niet goed’, dat verdachte en [medeverdachte] vervolgens bij de McDonalds iets genuttigd hebben en dat zij vervolgens verder zijn gereden, volgens verdachte met de bedoeling [medeverdachte] op de trein te zetten. Deze omstandigheden brengen mee dat mogelijk wel sprake is van wettig bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, maar dat overtuiging bij de rechtbank ontbreekt. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verdachte wetenschap had van het feit dat hij cocaïne vervoerde of aanwezig had.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en J.M.R. Vastenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2023.
[…]