Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-07
ECLI:NL:RBAMS:2023:3645
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,231 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.106560.22
Datum uitspraak: 7 juni 2023
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 mei 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig behandeld met de zaak tegen zijn medeverdachte [medeverdachte] (13-106587-22) De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.
2Tenlastelegging
Aan verdacht is kort gezegd ten laste gelegd dat hij, samen met iemand anders, op 27 april 2022 in Amsterdam ongeveer 2,06 kilo cocaïne heeft vervoerd.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit (vervoeren van cocaïne) heeft begaan, gelet op zijn verklaring ter zitting en de overige inhoud van het dossier. De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer anderen. In het bijzonder kan de rechtbank niet vaststellen dat medeverdachte [medeverdachte] wetenschap had dat verdachte cocaïne meenam in de auto. Verdachte zal daarom van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.
3.1.
Bewezenverklaring
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte op 27 april 2022 in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 2,06 kilo van een materiaal bevattende cocaïne.
4Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij het door strafrechters vastgestelde oriëntatiepunt voor strafoplegging voor de categorie 1500 tot 2000 gram, en niet bij het oriëntatiepunt voor de categorie 2000 tot 3000 gram, omdat de grens van 2000 gram slechts met een gering deel is overschreden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om in verband met de uiteengezette persoonlijke omstandigheden een groot deel van de straf voorwaardelijk aan verdachte op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ruim 2 kilogram cocaïne. Verdachte was onderweg om deze partij harddrugs af te leveren bij een ander, samen met een kilogram versnijdingsmiddelen. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden en verder bevorderen van de cocaïnehandel.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank de oriëntatiepunten voor het vervoer van harddrugs die door strafrechters zijn vastgesteld als vertrekpunt. Die oriëntatiepunten noemen bij een gewicht van 2000 tot 3000 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden als straf.
Gelet op de ernst van het feit, ook tot uitdrukking gebracht in genoemd oriëntatiepunt, vindt de rechtbank dat niet anders kan worden gereageerd dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft voor het bepalen van de hoogte van de straf ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk voor harddrugsfeiten is veroordeeld. Omdat die feiten of heel oud zijn of – gelet op de uiteindelijk opgelegde straf (kleine geldboete) – kennelijk veel minder ernstig waren, zal de rechtbank die eerdere veroordelingen nu niet in het nadeel van verdachte meewegen.
Anders dan de verdediging ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het vastgestelde gewicht aan de onderkant van de gewichtscategorie zit, geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij naastgelegen lagere gewichtscategorie.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een deel van de op te leggen straf als voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen, waarmee het verschil in strafmaat tussen de gewichtscategorieën enigszins wordt overbrugd. Het voorwaardelijk deel is bovendien bedoeld als stok achter de deur om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarnaast houdt de rechtbank op die manier ook enigszins rekening met gestelde persoonlijke omstandigheden van verdachte.
8Beslag
Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een Apple iPhone, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte is begaan. Verdachte heeft immers verklaard dat met behulp van die telefoon de afspraak is gemaakt dat verdachte de aangetroffen partij cocaïne zou wegbrengen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.1 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd:
Apple iPhone (goednummer: PL1300-2022083680-6179685)
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en J.M.R. Vastenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2023.
[…]